Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Willy Lagrêné, zigeuneraccordeonist

04/06/1998

Met lepels, kannen en kruiken

Zigeunermuziek bestaat niet, legt accordeonist Willy Lagrêné uit. Zondag bijt hij met zijn drie zonen het spits af van het International Gipsy Festival, de openingsmanifestatie van Festival Mundial in Tilburg, waar groepen uit verschillende Europese landen zullen optreden. ‘We voelen ons wel verwant met elkaar en we spreken dezelfde taal, maar onze tradities zijn allemaal een beetje verschillend.’ Lagrêné voelt zich als muzikant het meest aangetrokken tot zijn collega’s in Hongarije en Roemenië. ‘Daar spelen ze de gevoeligste muziek’.

Lagrêné (42) is geboren en getogen in Nederland, tegenwoordig woont hij met zijn gezin in een zigeunerwijk aan de rand van de bossen rond Son en Breughel. Alleen het opstapje voor de deur herinnert nog aan de woonwagens van weleer. ‘Er zitten wel wielen onder’, lacht Lagrêné, ‘we kunnen het huis dus eventueel verplaatsen’. Maar de woonkamer -met vitrinekast vol delicaat glaswerk, vrijstaand televisiemeubel en los gestapelde muziekinstallatie- is ingericht op blijven.

Meer dan duizend jaar geleden vertrokken de eerste families uit Noord-India, op zoek naar werk. In de elfde eeuw bereikten hun nazaten Bulgarije en in de vijftiende eeuw waren zij uitgewaaierd over een flink deel van Europa. Ze werden zigeuners, gypsies, gitanos, tsiganes, egyptiërs of heidenen genoemd en gewoonlijk met de nek aangekeken. Behalve als zij muziek speelden, want met het aanpassingsvermogen van een kameleon maakten zij zich, waar zij ook kwamen, de plaatselijke muziek eigen.

‘Met onze optredens maken we iedereen blij’, vertelt Lagrêné, ‘och, dan vindt iedereen ons zó. De mensen vragen na afloop honderd uit, soms tot vervelens toe. Maar als ze me ergens over straat zien lopen gaan de ramen dicht, dan halen ze het wasgoed binnen en zeggen tegen hun kinderen: pas op, daar loopt een zigeuner. Dat is nog altijd zo’.

Beleefd vraagt Lagrêné of hij roken mag, om vervolgens genoeglijk paffend het geheim van de zigeunermuzikant te te verklaren. ‘Ze doen alles op het gehoor, ze hebben daar gevoel voor. Als ze een melodie hebben gehoord, dan nemen ze die in zich op en denken, wat zou het mooi zijn als de violist dit of dat er bij deed. Ze leggen er gevoel in, dat komt rechtstreeks uit hun hart. Zo spelen ze de muziek nog mooier dan die oorspronkelijk klonk.’

Dat viel een Hongaars landheer in 1737 al op. Hij riep Mihály Barna, de eerste zigeunermuzikant wiens naam bekend is, uit tot winnaar van een muziekwedstrijd ter gelegenheid van zijn bruiloft. Deze violist was toen nog de enige zigeuner in het orkest, maar al snel kwamen er complete zigeunerensembles. De Hongaren speelden hun muziek oorpronkelijk op fluit, doedelzak en draailier, maar de zigeuners namen vanuit Turkije de viool, de klarinet en het met stokjes geslagen cimbaal mee.

De zigeuners namen de muziek van de Hongaren over, maar voegden er hun eigen instrumenten aan toe. Getuige het ensemble van de beroemde, in 1772 overleden violiste Panna Czinkahet. Haar orkestbezetting met twee violen, een zwoegende contrabas en klaterend cimbaal hield stand tot op de dag van vandaag.

‘De aanduiding zigeunermuziek is strikt genomen niet juist’, merkte Béla Bartók eens op, ‘het is in feite Hongaarse muziek gespeeld door zigeuners’. Hij had gelijk, maar vergat erbij te vermelden dat de zigeuners onder elkaar wel degelijk hun eigen muziek speelden. Zangeres Mónika Juhász Miczura die zondag haar opwachting maakt met muziekgroep Ando Drom, herinnert het zich nog uit haar eigen jeugd.

Zij zingt de van oorsprong a cappella-liederen van haar voorouders uit Rajasthan, begeleid met handenklappen, en met behulp van lepels, kannen en kruiken, het drumstel van de rondtrekkende zigeuner. Breed uitgemeten melodieën met lange strakke tonen en ratelende salvo’s van staccato lettergrepen laat zij eindigen met een diep vibrato. Haar groepsleden zingen er solide tegenstemmen bij, roepen felle aanmoedigingskreten of geven weerwerk met aanstekelijke vocale ritmespelletjes.

Van al die huisvlijt merkte de Hongaar op straat en in het café niets. Maar in Bosnië en Servië, Moldavië en Macedonië voegden zigeuners wel degelijk hun eigen muziek toe aan het openbare leven. Gewapend met koper- en rietblaasinstrumenten, grote trom en bekkens (die ze overigens wel aan de Turkse militaire bands ontleenden) zetten zij er met vrolijke tetterende feestmuziek iedere bruiloft en partij op stelten.

Zigeuners in Nederland verloren die oosterse erfenis al lang geleden, tot overmaat van ramp bood de volksmuziek hier te lande evenmin veel aanknopingspunten. Met volksdansen van Terschelling, Drents midwinterblazen of de horlepiep is zeker tegenwoordig geen droog brood te verdienen, dus namen zigeunermuzikanten hier hun toevlucht tot moderner repertoire. Dat strekt zich uit van gitaarmuziek à la Django Reinhardt, via Amerikaanse jazz tot André Hazes, legt Lagrêné uit.

‘Reinhardt was zijn tijd ver vooruit, die man was de beste jazzgitarist van de wereld. En hij was een van ons, een broeder. Zonder hem waren de meeste zigeuners in de Hongaarse muziek blijven steken. Wij willen zijn muziek weer verder brengen, net als mijn neven van het Rosenberg Trio.’ Dus legde hij tien jaar geleden de basis voor een familieband met zijn zoons. Hij leerde Amo (21) keyboard spelen, Mertzo (20) gitaar en inmiddels neemt Mogli (15) de baspartijen voor zijn rekening.

‘Het bespelen van de instrumenten is vooral een mannenaangelegenheid, de vrouwen zingen’, vertelt hij. De meesten van hen zijn lid van de Pinkstergemeente, daar zijn grote zangeressen bij. Daarom mogen ze niet in de wereld optreden, alleen binnen de kerk. Mijn dochter zingt trouwens ook, maar die verdomt het om met ons mee te gaan.’ Mertzo en Mogli hebben intussen gitaar en bas aagesloten op de versterker die altijd in de huiskamer paraat staat. Vader Willy kruipt achter zijn accordeon, een riante Magicvox Deluxe.

De accordeon kwam hem min of meer aanwaaien, vertelt Lagrêné. ‘Als kind was ik een heel goeie drummer, op tamtams enzo. Op een goeie dag zat ik weer eens buiten te spelen, zonder schoenen, kapotte broek, ik was toen een jaar of twaalf. Er kwam een man langs en die zei tegen mijn oom die hem wel kende: breng die jongen maar eens bij mij langs.’

Eerst tracteerde de man de jonge drummer op de kapper en een sjieke kledingzaak, en nam hem vervolgens mee naar huis. ‘Hij keek me aan en zei: 'Willy, ik geef je iets nieuws, daar moet je op leren spelen.' Hij ging naar de gang en kwam terug met een kleine accordeon. Een rooie. Hij zei: 'Die past mooi in jullie muziek. Ik hoor niks anders dan gitaren en violen, maar een accordeon ertussen, dat zou perfect zijn. Doe me een plezier, dan gaan we later, als je heel goed bent, de grootste de duurste uitzoeken die je wilt.’ Het zou er niet van komen. Toen Willy jaren later met zijn vader op zoek ging naar zijn weldoener, bleek de man inmiddels overleden.

Lagrêné speelt op zijn accordeon een klagende melodie boven zuchtende bassen, gevolgd door een rappe dans naar Roemeens recept, de muziek waarvan hij het meeste houdt. Om even later met dezelfde overgave zijn gitaar spelende zoon te begeleiden in een flitsend nummer van Django Reinhardt en Astrud Gilberto’s stemmige Girl from Ipanema. 'Ik oefen veel met de jongens, maar als ik alleen speel weten zij daar geen raad mee. Dan speel ik melodieën die ze nog nooit hebben gehoord. 'Papa, wat heb je toch allemaal in je hoofd, hoe kun je dat allemaal bijhouden', zeggen ze dan.’

© Peter van Amstel - 1998