Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

The history of Jamaican music

01/01/1994

Toast en scat, reggae en ragga

Het regende op de dag dat keizer Haile Selassie, King of Kings and Lord of Lords, op Jamaica zou landen. Afgezien van zijn invloedrijkste discipel, reggaezanger Bob Marley die dat voorjaar van 1966 in Londen verbleef, leek zijn voltallige aanhang op het vliegveld aanwezig. In een Britse BBC documentaire is te zien hoe de keizer in vol ornaat blinkend afsteekt tegen een loodgrijze hemel. Maar Bob Marleys vrouw Rita vertelt hoe zeven witte duiven het wolkendek doorkliefden en plotseling de zon doorbrak. Waar Zijne Hoogheid landde scheen het licht. Had de Jamaicaanse prediker Marcus Garvey het niet voorspeld? `Kijk naar Afrika voor de kroning van een zwarte koning, want Hij zal de Verlosser zijn'.

De kroning in 1930 van Haile Selassi tot keizer van Ethiopië, rhythm & blues in de Verenigde Staten, de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, Calypso uit Trinidad, Afrikaanse roots en protestantse kerkzang zijn de wortels van de Jamaicaanse muziek. Dat is te horen op vier cd's met 95 opnamen voorzien van een aantrekkelijk vormgeven boekwerkje dat Mango Records onlangs liet verschijnen. Maar niet alles komt daarin aan bod. Zo staan er op The story of Jamaican music geen calypso's (in Jamaica gretig beoefend, al heet calypso er mento) en geen Afro Jamaicaanse burru muziek. En in de 23 pagina's tellende tekst wordt geen melding gemaakt van de rasta beweging.

Profeet Garvey wees niet alleen de Ethiopische keizer Haile Selassi, `Ras Tafari' aan als de Heiland, ook beschouwde hij Afrika als het beloofde land voor alle zwarten. Haile Selassie zou de grootse terugkeer leiden, de uittocht van de Israëlieten uit Egypte kon prachtig dienen als metafoor. Garvey vond vooral aanhangers in de armste wijken van Jamaica's hoofdstad Kingston. Zij noemden zich Rastafarians en op vermeende bijbelse gronden lieten zij hun haren vervilten tot dreadlocks. Ganja, de plaatselijke variant van marihuana werd hun medicijn. Om te dansen adopteerden de lockmen de rituele muziek van een Afro-Jamaïcaanse religieuze secte, de burru.

Van lichtvoetiger aard is de mento, een opgewekte mengeling van Afrikaanse ritmes en Europese melodieën. De teksten zijn vaak komisch of schunnig, maar ook kritiek op actuele gebeurtenissen en politiek protest kunnen het onderwerp zijn. Mento's zijn meezingers, speciaal voor de luisteraars is er altijd een refrein dat lekker bekt. Maar moderne Jamaicaanse jongeren waren in de jaren vijftig helemaal niet geïnteresseerd in mento, burru of psalm. Zij maakten kennis met Noordamerikaanse rhythm & blues en daarin vonden zij de ideale muziek voor een avondje dansen. Helaas waren er in de sloppenwijken van de hoofdstad Kingston noch platenspelers voorhanden noch bands die deze muziek behoorlijk konden spelen.

Handige jongens vonden daar wat op. Zij bouwden sound systems, mobiele discotheken met een vermogen van een paarduizend watt waarop de Amerikaanse platen werden afgespeeld. Met flink opgepepte bas, dat danste beter. Er ontbrandde al snel een hevige strijd tussen system eigenaren als Count Smith the Blues Blaster, Sir Nick the Champ en Tom the Great Sebastian. Ieder probeerde de concurrent te overtroeven met de nieuwste import uit de VS, maar de aanschaf van een grotere versterker deed ook wonderen.

Omstreeks 1960 werd een nieuwe manier ontdekt om zich te profileren. Met gelegenheidsbandjes namen de systemeigenaren soundtracks op, meestal covers van Amerikaanse nummers. De opnamen werden rechtstreeks op de plaat gezet, niet voor de verkoop maar uitsluitend voor eigen gebruik. Tijdens de show dienden deze platen als basis voor live gesproken of gezongen teksten waarmee de discjockeys hun publiek buiten zinnen wisten te brengen. Deze toast of scat werd vervolgens als geheel op de plaat gezet.

Tot zover geen muziekvoorbeelden op de vier cd's.

Intussen was ook in Jamaica de platenindustrie op gang gekomen. Toen begin jaren zestig in de Verenigde Staten blanke rock 'n' roll de zwarte rhythm & blues definitief naar de achtergrond had verdreven, voorzagen Jamaicaanse bands de plaatselijke markt van rhythm & blues. Al viel de jeugd niet voor mento, burru of psalm, de losse swing van de mento, de tegendraadse burru ritmes en de Europese meerstemmigheid slopen in de populaire muziek van de bands. Het resultaat was een Jamaicaanse variant van rhythm & blues waarin iedere tweede tel een zwaar accent kreeg. De afterbeat zou het wezenskenmerk van de populaire muziek uit Jamaica worden.

Hier begint The history of Jamaican music. Het eerste nummer op de cd's is Oh Carolina (1960) van de Folkes Brothers met burru-drummer Count Ossie. Er klinkt een rhythm & blues piano, Afrikaanse trommels, een bas die de eerste tel overslaat en handenklappen op de tweede tel. De basis voor ska was gelegd, opgewekte, extroverte dansmuziek waarin ritmesectie, blazers en solotrombone de boventoon zouden voeren zoals bij de Skatalites (Guns of Navarone, 1960), Justin Hines & The Dominoes (Carry Go Bring Come, 1964) en Don Drummond (Man in the Street, 1965).

Maar de man in de straat was kwaad. Na het optimisme van de jaren vijftig bleken de omstandigheden er in de sloppenwijken tijdens de jaren zestig niet beter op te worden. Teleurgestelde jongeren bewapenden zich en trokken amok makend door de buurten. Deze rude boys drukten hun stempel op de dansavonden en er ontstond behoefte aan heftiger muziek. Het tempo van de ska ging drastisch omlaag, het volume van de bas flink omhoog. De blazers verdwenen, een gitaar verving de solotrombone. Tougher than tough (1967) van Derrick Morgan gaat over een rechtszaak tegen de rude boys, een mooi voorbeeld van deze nieuwe stijl die rock steady werd gedoopt.

Bijna schokkend is de vergelijking tussen het melancholieke rock steady nummer Happy go lucky girl van The Paragons uit 1966 en het kinderlijk naieve ska-nummmertje My boy lollipop dat zangeres Millie twee jaar eerder op de plaat zette. Zij bezorgde platenbaas Chris Blackwell van Island Records daarmee wel zijn eerste klapper, de suikerzoete speelgoedpop ging wereldwijd zeven miljoen maal over de toonbank. Van zo'n omzet konden de Paragons alleen maar dromen.

De nadruk op de baslijn nam nog verder toe, de muziek werd dreigender. `A waxy beat like you stepping in glue' en `a rebel bass, coming at you like sticking a gun ' was het ideaal van zanger producent Lee `Scratch' Perry, dat inmiddels reggae heette. Terwijl Toots and The Maytals in 1968 nog een flinke portie kerkzangharmoniëen toevoegden aan 54 46 That's my number scoorde Desmond Dekker met Israelites de eerste internationale, van rastageloof doortrokken reggaehit. Chris Blackwell was inmiddels zo verstandig Bob Marley aan zijn label Island Records te verbinden. Na enig sleutelen aan Marleys oorspronkelijk in Jamaica gemixte nummers (de bas wat minder, de zang wat prominenter en waar nodig een toegevoegd rock rifje door een Engelse studiogitarist) braken Bob Marley and the Wailers begin jaren zeventig in Engeland door met de langspeelplaten Catch a fire en Burning.

Zoals veel collegamuzikanten had ook Marley zich bekeerd tot het rasta geloof en vanaf 1975 verkondigde hij met de Wailers zijn boodschap tijdens succesvolle tournees door Europa, Afrika en Noord Amerika. De combinatie van een rigide overtuiging en een luchtige reggaeverpakking bleek onweerstaanbaar voor een miljoenenpubliek. Het is onwaarschijnlijk dat reggae zonder de overtuigingskracht die Marley ontleende aan zijn rastaschap ooit zo'n succes had kunnen worden. No woman no cry (1975) is het enige nummer van Marley op deze cd's en dat is echt te mager. Wel is daarin goed te horen hoe met subliem geplaatste handenklapjes en speelse tikjes op trommels het ritme prettig en fris wordt gehouden.

In de periode 1982-1993 nam elektronica langzamerhand de rol van muzikanten over. Ragga is de moderne variant van toast en scat, nu niet tegen een bestaande track maar tegen een zelf gemaakte dub. De serie cd's eindigt zoals hij begon, met Oh Carolina, maar nu in een ragga versie van Shaggy. Reggae in een technojasje maar, zo legt dichter Linton Kwesi Johnson in de inleiding uit, de ritmes zijn Jamaicaanser dan ooit. Ze zijn ontleend aan Afrikaans-Jamaicaanse rituele genootschappen, `so despite the extent of the technology being used, the music is becoming even rootsier'.

Terug naar de wortels, daarmee is de circel rond en The story of Jamaican music mooi up to date. Maar de ondertitel Tougher than tough slaat onbedoeld ook op de uitgave zelf. Veel nummers die in de tekst als belangrijk naar voren worden gebracht staan niet op de cd's, daarnaast is er een weelde aan muziek die in de tekst niet aan bod komt. Die bonte verzameling muziekfragmenten is wel de kracht van deze uitgave. Voor een completere geschiedenis in woorden is er bijvoorbeeld Cut 'n' mix van Dick Hebdige.

Tougher than tough, the story of Jamaican music. Mango Records 74321 15912 2.

Dick Hebdige: Cut 'n' mix; Culture, identity and Caribbean Music. New York 1987, Methuen & Co. ISBN 0906890993.

© Peter van Amstel - 1994