Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

De zegetocht van Nederlandse wereldmuziek in Mexico-stad

01/06/2009

Otra! Otra!

Met gevaar voor eigen leven, zoals gelukkig pas na terugkeer bleek, trakteerden 84 muzikanten uit Nederland de bezoekers van Festival Ollin Kan in Mexico Stad een week lang op wereldmuziek. De dag erop gingen in Mexico de mondkapjes voor en de muziekpodia dicht. Met nog drie overvolle weken te gaan sloot het festival noodgedwongen de poorten - Paban Das Baul in India, Latin Dub Sound in Engeland en Ba Cissoko in Guinée konden hun koffers oningepakt laten. Het Holanda-virus dat de Nederlanders brachten bleek ook buitengewoon aanstekelijk, maar dat doet gelukkig niemand kwaad.

Ruim honderd miljoen inwoners in het land, twintig miljoen in de hoofdstad; Mexico, eigenlijk de Verenigde Mexicaanse Staten, is een land van grote getallen. Er leven 707 slangen- en 438 zoogdiersoorten in de woestijnen, wetlands en oerwouden, op vulkaanhellingen en langs de tienduizend kliometer lange kust. Er zijn bergen tot ver boven de vijfduizend meter, met tot de verbeelding sprekende namen als Popocatepetl en Iztaccihuatl, ontleend aan een van de 56 indiaanse talen. De Spanjaarden koloniseerden het land in 1521, na hen volgden talloze andere Europeanen, maar ook Russen en Arabieren, Chinezen en Japanners. En Amerikanen, minder geliefd maar niet te vergeten.

Mexico was dus al behoorlijk rijk aan oude, nieuwe en mengculturen toen in het weekeinde van 11 april 2009 een contingent van 84 musici uit Nederland neerstreek in de hoofdstad. De herkomst van hun vaders en moeders meegerekend vertegenwoordigden zij wel tenminste vijftig verschillende nationaliteiten en evenzoveel muzieksoorten. En ze speelden meer dan veertig concerten in een week. Dat zijn getallen die ertoe doen.

stoelenpolitie
Onder het golvende baldakijn van het Teatro de la Ciudad, opgetrokken uit melkglas, gietijzer, en omzoomd met kogelronde lampjes, staat op de openingavond van festival Ollin Kan een lange rij. Het Teatro is midden in het fraaie oude stadscentrum, op loopafstand van het centrale plein Zócalo met de kathedraal, Azteekse ruïnes en het Nationaal Paleis. Goudkleurige leuningen, lijsten en versieringen omranden podium, balkons en pilaren. Van grote hoogte kijken bevallige muzen en begerige engelen geamuseerd toe, net als de niet-optredende Nederlanders - alleen op het schellinkje was nog plaats.

Vanuit de diepte betovert de vanuit Rotterdam opererende Neco Novellas uit Mozambique de zaal met zijn wonderschone stemgeluid. De Nederlands-Turkse combinatie Tarhana slaat toe met een hybride poppy mix van snerpend saxgeluid en aanminnig levenslied. De Amsterdam Klezmer Band zet de zaal op stelten met uitbundige jiddische feestmuziek, tot vreugde van het publiek dat enthousiast het podium beklimt. Dikke pret bij de band (totdat hun instrumenten in gevaar komen), maar tot ontsteltenis van de zaalwachten die gewend zijn aan opera- en balletliefhebbers, getooid met damestas of vlinderdas.

Festivaldirecteur José Luis Cruz en de Nederlandse ambassadrice Cora Minderhoud hadden weliswaar vooraf bevlogen gesproken over het creëren van mooie momenten in een wrede wereld. Over verdraagzaamheid en godsdienstvrijheid, over nu zeker even geen racisme. Over het prachtvoorbeeld dat de Nederlanders daarin geven. Maar bij jongeren op sportschoenen, voorzien van rugzakjes en proviand, voelen de dienstdoende suppoosten zich merkbaar slecht op hun gemak.

Drinken, eten en marihuana mogen de tweede avond dan ook echt niet mee naar binnen, een stoelenpolitie ziet er streng op toe dat de zitplaatsen ordelijk bezet raken, te beginnen middenvoor. Het publiek laat het zich allemaal braaf welgevallen en het duurt niet lang of iedereen is alweer in vervoering, in het geheel niet afgeschrikt door de complexe, jazzy klanken van Boi Akih. ‘Is dit nog wel wereldmuziek?’, vraagt rietblazer Steven Kamperman zich af. Zelf blaast hij brutaal, virtuoos en bij vlagen vogelvrij de klarinet of saxofoon in Baraná en Carlama. Inderdaad, in die groepen klinkt Turkse en Balkanvolksmuziek meer op de voorgrond dan de Molukse liedjes bij Boi Akih. Het publiek maakt het niets uit.

mestizos, indigenas, Piaf en Bach
Voor een kennismaking andersom, van de Nederlandse gasten met Mexicaanse muziek, is weinig gelegenheid - op de festivalpodia ontmoeten zij vooral elkaar (soms voor het eerst, dat dan weer wel). Maar de straat en het winkelcentrum, de taxi en de metro leveren de nodige aanwijzingen op. Metrostation Universidad ligt het dichtst bij het hotel. Verplaatsbare borden met solo damas (alleen dames) geven aan hoe druk het in de metro kan zijn – zo druk dat er aparte compartimenten voor vrouwen nodig zijn om ze van graaigrage mannenhanden te vrijwaren. Maar buiten de spits is er in de wagons volop ruimte voor neringdoenden in cd’s en dvd’s, in kauwgum en allerhande parafernalia.

Handelaars in muziek stappen binnen met een kloeke geluidsinstallatie op de rug. Salsa-compilaties van beroemde artiesten schallen door de coupé, of La donna e mobile van Verdi, het Hallelujah van Händel en lustige operettemelodieën. Geen van de metroreizigers veert erbij op, ook niet bij marimbamuziek in driekwartsmaat. Een koopman toont op een schermpje danslessen op dvd, variërend van onvoorstelbaar krachtig meisjesbillenschudden tot de galante Mexicaanse wals. Het slaat niet aan, niemand wil worden lastiggevallen. Ook niet door een kleine halfnaakte gespierde man die in het gangpad koprollen maakt op een kleedje met gebroken glas. Het kraterlandschap van oude littekens op zijn rug, noch het bloeden van vandaag brengt iemand in beweging.

Straatmuzikanten in het oude centrum spelen bitterzoete mariachimuziek, de een op accordeon in het bijzijn van zijn haveloos geklede vrouw, een ander op een draaiorgeltje en gekleed in een spik-en-span streng beige uniform met pet. Naast de kathedraal, in lendendoek en voorzien van enkelbellen en verentooien, zingen en dansen indianen bij rake trommelslagen. De poort van het Nationaal Paleis zwaait open, onder aanvoering van een venijnig vals maar strak in de maat spelende banda (fanfare), strijkt een regiment geüniformeerde gezagsdragers de gigantische Mexicaanse vlag die dagelijks boven de Plaza de la Constitución wappert.

De taxichauffeur die uitsluitend fluitsonates van Bach draait is ongetwijfeld atypisch. Maar op bushokjes en muren hangen ook affiches met aankondigingen voor opera’s en eigentijdse muziek, voor rock en jazz. In een winkelcentrum met ijsbaan (buiten is het 31 graden) waarop lenige jongens en meisjes sierlijke figuren en pirouetten draaien, is in de cd-winkel Tropical een forse afdeling (Oscar d’Leon, Juan Luis Guerra, Willie Colón), naast Ranchera (gevoelige liederen, Maria de Lourdes, Alejandro Fernández) en Norteño (Tex-Mex, Santiago en Flaco Jimenez, Los Tigres del Norte). Ook de vakken Rock en Español (Spaanstalige rock) en Pop en Español (Spaanstalige liedjes) zijn goed gevuld. Op de flinke afdeling World music staat in de bak E.U. de Franse zangeres Edith Piaf vooraan. Het mag duidelijk zijn: de Mexicaanse stadsbewoner is wel wat gewend.

uitzinnig dansen
Het winkelcentrum ligt om de hoek van het riante hotel Fiesta Inn, direct aan de ringweg in het zuidwestelijk deel van de stad. Daar, aan de rand van de stadswijk Tlalpan, logeren de musici en de lobby van het hotel dient als zenuwcentrum van het festival. In de volksbuurten van Tlalpan vinden veruit de meeste optredens van festival Ollin Kan plaats, dit jaar voor de zesde maal. Daarnaast een paar op pleinen in andere wijken en een enkel concert buiten de stad. De toegang is overal gratis, er komen duizenden mensen op af. Vanwege de muziek natuurlijk; dat het festival rond landenthema’s is opgebouwd lijkt vooral een bruikbaar handvat voor de samenstellers. Dit jaar staan India, Engeland en West-Afrika centraal, iedere regio gedurende een week. Na Nederland, wel te verstaan, dat ditmaal veruit de grootste (en achteraf de enige) bijdrage leverde.

Vorig jaar mei meldde José Luis Cruz zich in Rotterdam voor de Dutch Blend Meeting en het aansluitende Dunya Festival. De Dutch Blend Meeting is de wereldmuziekvariant van de Dutch Jazz Meeting en de Nederlandse Muziekdagen, waar Muziekcentrum Nederland (MCN) musici en componisten presenteert aan programmeurs, pers en beleidsmakers uit binnen- en (vooral) buitenland. Cruz toonde zich blij verrast door de indrukwekkende variëteit op topniveau en legde direct contacten met diverse groepen en bands. MCN nam vervolgens de coördinatie ter hand, het Nederlandse Fonds voor de Podiumkunsten+ en de Nederlandse ambassade in Mexico betaalden mee aan voorbereiding en vliegtickets.

Maestro Cruz gunde dertien combinaties elk tenminste drie concerten. Jazzy ensembles met topsolisten en stemkunstenaars (Boi Akih, Barana en Neco Novellas) en doorgewinterde groepen met perfect uitgekristalliseerde acts (Drums United, Di Gojim). Daarnaast poppy bands met jonge, soms haast hyperactieve muzikanten (Kasba, Tarhana, NO blues, Mesechinka) en bands met een relatief hoog volksmuziekgehalte (Beatriz Aguiar, Jimmy Omonga, Carlama, Amsterdam Klezmer Band). Cruz weet waarmee hij zijn publiek kan verwennen: met de virtuoze muzikale clownerie van Di Gojim, met de vet-jiddische en plat-Mokumse liederen van Amsterdam Klezmer, met loeistrakke percussie ter aanvuring van uitdagende Afrikaanse en flamencodans door Drums United, met de on-Nederlands hemelbestormende latin van Beatrice Aguiar en haar band.

Cruz schoot dertien maal raak. Zijn Mexicaanse publiek reageerde adequaat met ademloze concentratie, vrolijk huppelen, enthousiast meebewegen of uitzinnig dansen. In die volgorde bij vrijwel elk concert, en steevast uitmondend in de massaal gescandeerde uitroep om meer: ‘Otra! Otra!'

Culturele droom
Al hangt Mexico Stad bij lange na niet vol met aankondigingen van het Ollin Kan festival, op de perspresentatie vooraf zijn heel wat foto- en videocamera’s present, en in de loop van de week volgen de nodige radio- en televisie-interviews met de Nederlanders. In Tlalpan hangen de affiches wel, openluchtpodia Conciertódromo Ollin Kan trekt daar op vrijdag, zaterdag en zondag duizenden toeschouwers per dag. Hier geen stoelenpolitie, het publiek dromt uit eigen beweging rond het podium samen. Er is volop lekker eten en drinken voorhanden, bij vlagen waait er een wolkje marihuanarook over.

Het Conciertódromo blijkt een braakliggend terrein met een tijdelijk maar groot en goed geoutilleerd podium. Het ligt tegen een groot overdekt sportcentrum met zwembad aan, in een opgeruimde, tamelijk wijds opgezette wijk met middelhoge flatgebouwen. De route erheen leidt door nauwe, gemoedelijk aandoende straten, langs beschaduwde pleinen, een eindje de bergen op in zuidwestelijke richting. Agenten van een dertig man sterke gewapende politiemacht beperken zich tot fouilleren bij de entrée en wachtlopen bij het hek. Schokkende incidenten, zoals het overmeesteren van een trombonedief door oplettende parkwachten, de avond tevoren bij het podium in het Parque Ecológico Loreto, doen zich hier niet voor.

Tegen de muur van het sportpaleis staat een lange rij chemische toiletten. Daarnaast de biertent van festival-hoofdsponsor Cerveza Sol (jammergenoeg al veel te vroeg uitverkocht), en een kraam met frisdranken en wijn. Op het bordes voor de ingang van het sportgebouw zijn wereldmuziek-cd’s te koop, uitstekende koffie en allerhande in Mexico gewaardeerde hapjes, zoals bollito con queso Gouda (bolletje Goudse kaas) en salchichas Alemanas (broodjes met Duitse braadworst en een aardappelprak). Op kleedjes langs een van de hekken verkopen hippe jongens en meisjes hoeden en kralen, kettingen en armbanden, beeldjes en wierook. Op zondagmiddag en -avond zijn er vijf Nederlandse optredens hier, de laatste. Het publiek laat zich opnieuw vijf maal opzwepen tot uitzinnig feestgedruis, de musici krijgen vleugels en overstijgen zichzelf, de euforie is compleet, het kan niet op.

Tienduizenden tevreden toeschouwers in een week, daar mogen de Nederlanders trots op zijn, de organisatoren tonen zich content. En wat te denken van de kinderen in Tapuchula, Zuid-Mexico, waar Boi Akih een concert speelde. Een jongetje dat zichzelf vreemde talen leert vertelt zangeres Monica Akihari dat hij vanwege haar heeft opgezocht waar Jakarta ligt, en nu in Indonesië geïnteresseerd is geraakt. Een nog kleiner meisje spreekt, na het eindeloos en onophoudelijk beluisteren van de Bulgaarse samenzang van Mesechinka, vroegwijs de woorden: ‘dit is mijn culturele droom.’

doorstoten
Het summum van saamhorigheid wordt bereikt op de laatste avond, als de verzamelde Nederlanders zoals gebruikelijk zitten te eten en te eten drinken in de tot cantina omgetoverde parkeergarage van het hotel. Net als iedereen alles zo’n beetje voor gezien houdt, stapt er een mariachigroep binnen. Violen, trompetten, zang. Feest. De Nederlanders zingen luidkeels brede akkoorden onder de uithalen in de Mexicaanse smartlappen. Als het enthousiaste Otra! Otra! Otra!, nu van de Nederlanders, zijn effect begint te verliezen, neemt bassist Eric Calmes de guitarron over en blazen de Kasba-koperblazers een partijtje mee. Tot groot vermaak van de Mexicanen, nu definitief overtuigd: met die Holandeses kun je werkelijk alle kanten uit.

Tjonge, wat hebben de Nederlanders de Mexicanen verwend, en wat fijn was het om te doen, daarover is iedereen het eens. Bovendien, festivaldirecteur Cruz heeft grootse plannen. Voor volgend staat, naast Ollin Kan, het festival Colombia al Parque in Bogotá op stapel, en daarna wil hij naar andere Latijns-Amerikaanse landen doorstoten. Want als al die groepen uit verre buitenlanden toch al in Mexico zijn, waarom dan niet aansluitend doorgereisd naar elders in de regio? Bueno, volgend jaar even wat minder Nederlanders, relativeert zijn producente Alexa Pauls, maar misschien daarna weer wel? ‘Si, si, claro, dat is heel goed mogelijk.’

© Peter van Amstel - 2009