Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Internationale tournee van Baliërs in 1952

02/05/2010

De producent, de prins en het dansertje

'Kent u mijn vriend Colin McPhee?', vroeg prins Anak Agung Gedé Ngurah Mandera uit Peliatan in 1950 aan de Britse muziek- en dansproducent John Coast. 'Helaas niet Anak Agung, maar dankzij hem ken ik u en Sampih van naam.' Componist Colin McPhee beschreef in zijn boek A House in Bali hoe hij in Parijs prins Gedé Ngurah Mandera leerde kennen als musicus en ensembleleider. En hoe hij zelf, een paar jaar later op Bali, het jonge, veelbelovende dansertje Sampih onder zijn hoede nam. Dankzij deze componist en de producent, de prins en het dansertje kon in 1952 een imposant gezelschap uit Peliatan vertrekken voor een succesvolle tournee naar London en New York.

De Amerikaanse pianist en componist McPhee (1900-1964) hoorde in 1931 tijdens de Koloniale Tentoonstelling in Parijs voor het eerst een live-uitvoering van Balinese muziek. Prins Gedé Ngurah Mandera had de leiding, 'we werden weggestopt, wij Balinezen, als slaven', beklaagde hij zich later. Voor McPhee was de kennismaking niet minder dan een openbaring. Nog hetzelfde jaar vertrok hij voor acht jaar naar Indonesië, in A House in Bali schetste hij een indrukwekkend beeld van de Balinese samenleving.

Hofdans en kebyar
Producent John Coast (1916-1989), voorheen onder meer officier in het Britse leger en persvoorlichter van president Sukarno, schreef op zijn beurt een prachtboek over het voorbereiden en produceren van de eerste internationale Balinese toer na de Tweede Wereldoorlog: Dancing out of Bali, verschenen in 1954. Van beide boeken kwamen niet lang geleden heruitgaven beschikbaar, en wat blijkt: de situatie nu verschilt in bepaalde opzichten niet eens zo veel van de situatie van toen. Het hotel-, strand- en surfplezier aan de zuidelijke stranden even daargelaten: 'Kuta was een vissersdorp', schreef Coast. 'Langs het strand stond een serie lange rafelige hutjes onder bomen, net boven de vloedlijn.' Nu is Kuta een door buitenlandse toeristen drukbezocht vakantieoord.

Maar wie, in plaats van aan zee, neerstrijkt in de omgeving van Peliatan en Ubud, ontdekt dat de traditionele hofdans Legong Kraton, de krijgsdans Baris, en vroeg twintigste-eeuwse creaties als Kebyar Duduk en Oleg Tamulilingan nog altijd bovenaan staan op de repertoirelijsten. En regelmatig zijn er, net als toen volgens de enthousiaste Coast en McPhee, uitvoeringen van het volkse muziektheater arja, optredens met gendèr wayang en optochten met baleganjur-looporkesten. Tijdens de licht verontrustende opvoeringen van de eeuwige strijd tussen het goedaardige beest Barong en de levensgevaarlijke heks Rangda raakt nog altijd menigeen in trance.

Zelfs dansmeesters en meesteressen van toen zijn nog niet uitgerangeerd, zoals de nu 71-jarige Gusti Raka Rasmi die als meisje van twaalf schitterde tijdens de 1952-tournee. Sommigen geven nog les, of zij laten zich tijdens het jaarlijkse Bali Arts Festival bewonderen als seniman tua, als oudere artiest. Natuurlijk, de jeugdige buigzaamheid is uit hun lijf verdwenen, maar juist zo tonen zij de pure essentie van de bewegingen, en niet zelden de ontroerende schoonheid ervan.

Slaapkamermuziek
De grootste veranderingen vonden plaats voordat bewonderaars als McPhee en Coast op Bali belandden. Nederlanders maakten omstreeks 1600 als eerste westerlingen kennis met de muziek en dans van het eiland. Zij troffen een feodale samenleving aan, Bali was verdeeld in diverse koninkrijken. Ooggetuigen repten van gitzwarte lavastranden langs diepblauwe zeeën, van halfnaakte mensen onder strooien hoofddeksels in goudgele rijstvelden. Van orchideeën in opgestoken haar boven glitterende danskostuums. En van zinderende, onbegrijpelijke muziek van bronzen instrumenten in tempels en paleizen.

De vorsten en edelen waren toegewijde liefhebbers van de kunsten, een paleis telde tenminste vier gamelans. In de eerste plaats de gong gedé, een groot orkest voor het opluisteren van ceremoniële en religieuze aangelegenheden. Daarnaast twee kleinere, lichter klinkende combinaties: palegongan voor de klassieke hofdansen en semar pegulingan ter opluistering van ‘s konings slaapkamergenoegens. De balaganjur tenslotte, een combinatie van bekkens en trommels, diende voor de begeleiding van processies.

McPhee en Coast maakten pas kennis met dit alles toen de hofcultuur in feite al niet meer bestond. De Nederlandse kolonisten hadden zich niet laten afleiden door de hoofse pracht en praal. Zonder pardon ontnamen zij de vorsten hun macht, het plaatselijk bestuur delegeerden zij aan dorpshoofden onder Nederlands gezag. De musici en dansers die tot dan toe tegen betaling in de hofensembles speelden, stonden er nu alleen voor. Zij maakten van de nood een deugd.

Omsmelten en versnellen
Een goed deel van het hofinstrumentarium smolten zij om tot nieuwe instrumenten, en in een moeite door ontwikkelden zij er een nieuwe speelstijl bij: kebyar. Vrije vormen en nieuwe structuren deden hun intrede. Het statige karakter van de gong gedé, de lieflijke klank van palegongan en semar pagulingan maakten plaats voor krachtig hameren, flitsend passagewerk en spectaculaire overgangen. Ketut Mario, een vermaard danser uit het zuiden van Bali, legde in 1925 met zijn solodans Kebyar Duduk de basis voor een compleet nieuwe, op persoonlijke expressie gerichte dansstijl. Coast was onder de indruk en nam zowel Mario als diens leerling Sampih mee op tournee.

Musicus Wayan Lotring (ook geliefd vanwege zijn smaakvolle hand van voedsel kruiden) presenteerde in 1926 de compositie Gambangan, gebaseerd op rituele crematiemuziek voor xylofoonensemble maar nu gespeeld door een palegongan-ensemble. Dit gebruik van strikt gereglementeerd repertoire voor persoonlijke muzikale expressie was destijds een waagstuk. Lotring vestigde er zijn naam mee als individueel, autonoom componist. Dit ontging de beide schrijvers evenmin, beiden roemden hem als musicus en ook Gambangan ging mee op tournee.

Toen Coast zich in 1950 meldde bij prins Gedé Ngurah Mandera, lag het culturele leven in het voormalige paleis van Peliatan vrijwel stil. Maar het plan voor een nieuwe tournee sprak de prins wel aan, en hij liet zich overhalen de muziek en dans nieuw leven in te blazen. Zo nam hij als aanvoerder van een nieuw gezelschap in 1952 revanche voor zijn vernederende ervaring in Parijs: met hun perfecte uitvoeringen en opvallende gedrag maakten de toerende Balinezen nu een verpletterende indruk. ‘De uitvoerders spelen prachtige, complexe muziek zonder elkaar aan te kijken’, meldde niemand minder dan de Britse componist Benjamin Britten. ‘Zij hebben het zelfvertrouwen van een slaapwandelaar en roken sigaretten. De muziek is fantastisch rijk - melodisch, ritmisch, die samenklank (wat een orkestratie!!) en vooral de vorm.’

Zachte drang
Natuurlijk veranderde er wel het een en ander in de afgelopen tachtig jaar. Er kwamen academies voor muziek en dans op Bali, waar naast uitvoerders ook componisten en choreografen zich verder ontwikkelden en nieuw repertoire bedachten. Volgend op tournee van 1952 volgden er talloze meer. Vooraanstaande Balinese musici en dansers kregen aanstellingen als docent of als artist in residence aan westerse kunstinstellingen, sommigen van hen zetten zich aan de studie van westerse muziek. De een verrijkte het klankkleurenpalet van de gamelan met de klepperende bekkens van het balaganjur-looporkest, een enkeling introduceerde instrumentale solo's of pianoakkoorden of een swingend jazzritme.

Piepjonge leerlingdansertjes en -danseresjes worden tegenwoordig niet meer hardhandig gekneed en gemangeld om ze in de juiste posities te dwingen. Zo leerde Gusti Raka Rasmi Raka het nog wel, getuige de beschrijving door John Coast. Maar op een foto in de heruitgave van zijn boek is te zien hoe bij lerares Gusti Raka de onverbiddelijke dwang plaats maakte voor een vriendelijk zachte drang.

Wie lezen wil hoe het er nu voorstaat met de muziek en dans van Bali, gaat te rade bij Made Bandem en Michael Tenzer. Voor wie de sfeer van vroeger wil proeven om de situatie van nu beter te doorgronden, zijn de wederwaardigheden van de pioniers Coast en McPhee haast onmisbaar. Cd's en dvd's met kebyarmuziek en -dans zijn gemakkelijk te vinden op het internet, enekele cd's met oude opnamen (waaronder die van de 1952-tournee) staan hieronder genoemd.

boeken
Colin McPhee: A House in Bali. Periplus, 2000 (1944), ISBN 962-593-629-7.
John Coast: Dancing Out of Bali. Periplus, 2004 (1953), ISBN 0-7946-0261-4.
Michael Tenzer: Balinese Music. Periplus, 1991 (1983), ISBN 0-945971-30-3.
Made Bandem, Fredrik Eugene de Boer: Balinese Dance in Transition: Kaja and Kelod. Oxford University Press, 1995, ISBN 9676530719.
Michael Tenzer: Gamelan Gong Kebyar. University of Chicago Press, 2000, ISBN 0-226-79281-1.

cd's
The Roots of Gamelan - The First Recordings, Bali 1928 & New York 1941. World Arbiter 2001.
Dancers of Bali - Gamelan of Peliatan 1952. World Arbiter 2007.
Music for the Gods. Rykodisc RCD 10315.
Hommage à Wayan Lotring. Ocora C 559076/77.

 

© Peter van Amstel - 2010