Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Seung-Ah Oh - Ontwikkelingen, vondsten en vooruitzichten

09/12/2011

Stuk voor stuk

Seung-Ah Oh

“In mijn eerste jaar in Nederland schreef ik tien stukken in plaats van twee of hooguit drie per jaar, zoals voor die tijd”, zegt Oh. Niet allemaal kregen ze een plaats in de werkenlijst op haar website, die in totaal ongeveer veertig composities telt. De interessantste (volgens Oh zelf, maar ook omdat ze haar aanpak en ontwikkeling mooi illustreren) voorziet zij voor deze gelegenheid van een verhelderende toelichting.

So-Ri I en II – 2001 – gitaar, fluit; viool, cello en piano – 10’; 10’
“So-ri betekent geluid of lawaai. Het gaat in dit stuk niet zozeer om toonhoogtes, maar over hoe je geluiden op elkaar stapelt, hoe je klankblokken bouwt door het combineren van samenklank, herhaling en instrumentatie.

Voor het eerst gebruikte ik veel herhaling, niet één keer, maar steeds opnieuw. Dat mocht niet op Brandeis, als je eens een keer iets herhaalde werd het meteen fout gerekend. Dus dit voelde echt als uitbreken. Met So-Ri I begon ik afscheid te nemen van de twaalftoonsmuziek en al het chromatische gedoe. Het stuk was bedoeld voor een concert in een Aziatische galerie, en voor het eerst vroeg ik mij af: kan ik niet iets doen met mijn Aziatische achtergrond? Waarom geen Koreaanse fluit? De gitaar beviel me op zichzelf al; de klankkast kun je voor percussie gebruiken en ik houd van het boventonenpalet van de gitaar. De gitarist was in de buurt terwijl ik componeerde, ik kon hem steeds laten uitproberen wat ik had bedacht. Als ik de gitaarpartij hoorde, wist ik meteen wat ik de fluit wilde laten doen. Zo had ik nog nooit gewerkt. Door die samenwerking werd mijn muziek preciezer en gedetailleerder. Ik merkte dat mijn oren me vertellen wat écht goed is.

So-Ri II is voor viool, cello en piano, ik schreef het kort daarna. De indruk die Aenon Jia-en Loo uit Hongkong die zomer in Aspen met zijn geprepareerde piano op me had gemaakt, speelde door mijn hoofd. Ik liet de piano ongemoeid, maar gebruikte in dit stuk veel akkoorden die zijn opgebouwd uit de natuurlijke boventoonreeks, zodat je ze niet hoort als samenklank maar als toonkleur. En hameren op één toets, tadadadada. Ik móest het uitproberen. En zelf klanken bouwen, zelf de vorm, de toonhoogtes en de samenhang bepalen. So-Ri II is een mooi, delicaat stuk, een beetje meditatief, er zit ook neuriën in. Al die jaren vooraf was ik getraind in het schrijven van muziek volgens de regels van iemand anders, maar dít zat al in me, leek het wel. Misschien was ik altijd al op zoek naar muziek van een heel simpele schoonheid, maar was ik bang dat te laten blijken. Nu voelde het als een opluchting, dit was componeren. Eindelijk had ik alles zelf in de hand. Dit was míjn stuk.”

Dark Blue Horizon – 2003 – trombone, trompet, piano - 10’
“Louis Andriessen had natuurlijk groot gelijk toen hij me zei dat ik helemaal niet zoveel tonen nodig heb; en met die reeks van twaalf wilde ik zelf ook al definitief afrekenen. Hij vroeg me voor een soloinstrument een stuk met twee tonen te schrijven. Wat kon ik in ‘s hemelsnaam doen met twee tonen? Ik was altijd bijna alleen met toonhoogtes bezig was geweest, ik deed mijn best die twaalf tonen steeds opnieuw verrassend te laten klinken. En ineens moest het gaan over geluid, over de klank en het ritme. Ik probeerde de muziek in beweging te houden, maar het lukte me niet. Een vriend, een trombonist, suggereerde me toen niet een stuk voor één, maar voor drie instrumenten te maken: trombone, trompet en piano. Dat ging beter, maar ik leverde heel wat strijd om deze opdracht tot een goed einde te brengen.

“In Dark Blue Horizon hoor je een pentatonisch, heel simpel melodietje midden in het stuk, een beetje diatonisch hier en daar, en ik gebruikte parallelle octaven. Parallelle octaven – dat had ik nooit eerder gedurfd. Alles waarvan ik dacht dat het niet mocht, werd in Den Haag hogelijk gewaardeerd. Gewoon alles proberen was het motto: soms werkt het, soms werkt het niet. Dat was zo’n opluchting, ik juichte: dit is Nederland, ik kan doen wat ik wil.”

DaDeRimGil – 2003 – zes percussionisten – 14’
“Over dit stuk ben ik echt 95 procent happy. Mijn tevredenheid komt gewoonlijk niet boven de 80, maximaal 85 procent uit. Hier heb ik voor het eerst van tevoren de vorm helemaal vastgelegd. Dat was uit nood geboren, want ik begon zoals gewoonlijk vanuit het niets te componeren. Al snel had ik drie minuten, een hoketus voor twee spelers, en dat was helemaal af, een perfect geheel van drie minuten. Maar het moesten er veertien worden en ik begon te puzzelen: hoe kan ik vanuit een korte hoketus een grote structuur opbouwen? Ik zocht het in contrasten, tegenover de strenge, rigide hoketus het tegendeel ervan: lang durende resonerende klanken. Ik wilde wat ik al had kunnen herhalen, maar niet letterlijk, iedere keer korter en met veranderingen in de instrumentatie. Ik tekende een schema. Na het strak ritmische hoketusdeel plaatste ik een kort deel met lang uitklinkende gongs en tromgeroffel, zonder een duidelijk herkenbare puls. Na iedere herhaling is het gongdeel anders, en duurt het langer dan de vorige keer; de luisteraar moet geen last krijgen van de structuur. Door vooraf de structuur vast te leggen, kon ik bij de invulling op de allerkleinste details letten.

“Weet je wat het mooie is van percussie zonder toonhoogte? Wat je ook schrijft, het klinkt altijd honderd keer beter dan je had gedacht. Als je naar de partituur kijkt, kun je je er nauwelijks iets hoorbaars bij voorstellen, behalve de ritmes en de vorm. Wat de klank betreft vraagt het componeren dus om veel gissen en verbeeldingskracht. Toen ik DaDeRimGil had geschreven wist ik zeker dat ik talent had voor het componeren met percussie.”

Shunt – 2003 – twee piano’s, percussie en twee instrumentgroepen – 11’
“Hieraan hoor je dat ik een student van Louis Andriessen ben. Shunt is een uitprobeerstuk, het ging om het orkestreren van een pianopartij. Ik kreeg de opdracht om voor de Composer’s Conference van het Wellesley College in Massachusets in vier of vijf weken een stuk voor groot ensemble te schrijven. Ik moest dus een snelle, gemakkelijke manier van schrijven zien te vinden. Louis liet ons vaak zijn schetsboeken zien, die staan helemaal vol met pianopartijen die hij, als hij ze wil gebruiken, pas later orkestreert. Ik was gewend verticaal te schrijven, alle partijen meteen boven elkaar, en dat gaat langzaam. Dus ik dacht: laat ik Louis’ manier maar eens proberen. Ik deelde de instrumenten op in verschillende secties: twee strijkkwartetten met contrabas, een houtsectie en een kopersectie, en twee piano’s – in feite een perfect Andriesseniaanse opzet. De uitkomst was een prettige verrassing voor de musici en de luisteraars. En voor mijzelf – het is helemaal geen slecht stuk.”

2005 Concerto for Huyn en Kwan – 2005 – kayageum, piri, gemengd oosters/westers ensemble – 22’
“Van Joël Bons kreeg ik de opdracht voor het Atlas Ensemble een stuk te schrijven met twee Koreaanse musici op Koreaanse instrumenten. Hij gaf me hun namen: Ji-Young Yi, een bespeelster van de citer kayageum en leidster van een eigen ensemble; en Chi Park, bespeler van de dubbelrietinstrumenten piri en taepyongso. Plotseling zat ik voor het eerst van mijn leven in Seoul tussen professionele uitvoerders van Koreaanse muziek. Ze gaven me uitleg over hun instrumenten, over hun muziek met eindeloos veel nuances, over wat er allemaal nog gebeurt ná het aanslaan van een snaar. Ik was onder de indruk en een tikkeltje ongerust: mijn oren waren niet afgestemd op het uit elkaar houden van zoveel minieme details. Hoe moest ik voor deze musici en deze instrumenten een stuk schrijven? Maar ik had ook het overrompelende idee: hier ligt mijn grote kans, dit is mijn missie.

“Ik besloot er een concerto voor kayageum en piri van te maken, dan hoefde ik me niet te veel bezig te houden met al die andere niet-westerse instrumenten van het Atlas Ensemble. De kayageum begint met een solo die sterk doet denken aan traditionele Koreaanse muziek, maar gaandeweg komt er steeds meer samenklank met andere instrumenten. Chromatiek kleurt de pentatonische Koreaanse toonladder in, het wordt meer en meer moderne westerse muziek. De piri fungeert min of meer als leider van het ensemble. Ik gebruik Messiaens idee van résonance: de andere instrumenten voegen aan de hobo een halo van boventonen toe. De piripartij verandert, net als die van de kayageum, van Koreaans naar westers. Maar het stuk eindigt met marsmuziek, ongeveer zoals die vroeger voor de koning werd gespeeld: sterk, hard en trompetachtig, met stevige percussie.”

Unsung Equilibrium – 2005 – blazersensemble – 15’
Unsung Equilibrium schreef ik voor Orkest De Volharding, hier onderzocht ik een opbouw uit blokken. Het stuk heeft geen onvermijdelijk begin of einde, ik speelde met de volgorde ervan. Het ging me te ver om de uitvoerders de volgorde te laten bepalen, ik hield het nog wel helemaal zelf in de hand. Ik speelde met contrasten binnen akkoorden, met het evenwicht tussen uitersten zoals zacht en luid, geruststellend en opwindend, rond en scherp. De melodie komt voort uit de intervallen waaruit de akkoorden zijn opgebouwd. Het is een spel met de psychologie van de tijd; geen expositie-doorwerking-reprise hier, maar een stuk waarin de luisteraar af en toe denkt: hé, wacht eens even, heb ik die niet eerder gehoord? Meestal lijkt het wel zo maar is het niet waar, want bij iedere herhaling laat ik iets weg en voeg ik iets anders toe.”

Recollection for ChoHee – 2006 – twee sopranen, mezzosopraan, alt, tenor, bas – 15’
“Cho-Hee was het pseudoniem van een zestiende-eeuwse dichteres, voor dit stuk gebruik ik een paar van haar teksten. Ze zijn oorspronkelijk geschreven in het Chinees volgens strikte vormen: een vast aantal regels met een vast aantal karakters. In de muziek volg ik die regels soms precies, maar in vertalingen kun je die een-op-een relatie natuurlijk niet volhouden. Je kunt ook zeggen: dat geeft me de vrijheid om van het schema af te wijken. Een andere bron was het ritueel van de traditionele Koreaanse dodenverering, waarbij een voorzanger teksten voordraagt in een soort spraak-zang, half recitatie half melodie. Daar komt de baspartij van Recollection for ChoHee vandaan, de bas begint met langzaam zingen over een vrouw aan het graf van haar twee overleden baby’s.

“Zangmelodieën schrijven is voor mij een kwestie van zelf zingen: als het goed klinkt is het goed. De melodieën van alle vijf de zangers hebben hier een gemeenschappelijke harmonische basis, dus als ze samenkomen ontstaan er zinvolle samenklanken. Je hoort simpele harmonieën en ik laat de zangers tamelijk melodieus zingen. Eenvoud geeft zangers meer ruimte, ze gaan er mooier door zingen. Soms is het imposanter wat een zanger uitdrukt, dan wat er muzikaal precies voor interessants gebeurt. Sinds Recollection for ChoHee schrijf ik vol zelfvertrouwen ook simpele muziek, omdat het prachtig kan zijn.”

Words and Beyond: Hwang Jin-Yi – 2008 – mezzosopraan, vier percussionisten, danser – 70’
“Het belangrijkste deel van dit muziektheaterstuk speelt zich af in volkomen stilte, alle concentratie is dan gericht op wat er op het toneel gebeurt. Ik wist inmiddels dat ik met percussie alles kan doen. Percussionisten hebben altijd een open geest. Hier hielpen ze mij de efficiëntste en doeltreffendste manier te vinden voor het gebruik van de instrumenten. De hoofdrol is voor een mezzosopraan, zij speelt Jin-Yi Hwang, een legendarische kunstenares en gezelschapsdame uit de zestiende eeuw. Jin-Yi Hwang schilderde, kalligrafeerde, was musicus op de citer komunggo, ze zong en danste. Zij was succesvol maar ongelukkig. Rond haar veertigste sloot zij zich aan bij een cirkel van rondreizende musici-acteurs, waarna ze spoorloos verdween. In Words and Beyond vertel ik haar levensverhaal aan de hand van vier van haar gedichten.

“Zangeres Margriet van Reisen nam lessen bij mijn Koreaanse zanglerares Kwon-Soon Kang, en na tien dagen kon ze zingen zoals ik het me had voorgesteld: herkenbaar Koreaans. De muziek begint met een verleidingslied in de bijna originele Koreaanse versie, maar met een kleine variatie. Langzamerhand, door geleidelijke veranderingen in het samenspel en de samenklank met de instrumenten, gaat het lied meer lijken op een westerse aria. Ik wilde er een danser bij, langzame dans. In het water. Mijn oog viel op Michael Schumacher, hij kan alles. Maar hij is gewend aan snel, en in westers ballet moet je alles strekken: armen, handen, benen, voeten. In Korea zijn de bewegingen juist traag en naar binnen gekeerd: voet neerzetten, afrollen vanaf de hiel. En er is ook nog zoiets als de niet-beweging, het stilstaan als onderdeel van de beweging. Dat was voor Michael eerst heel moeilijk.

Words and Beyond vat samen wie en wat ik ben: niet alleen een componist, ook een theatermaker. Dit is pas het eerste deel van een trilogie, het tweede zal gaan over Su-Huh Hun-Nan, ook een ongelukkige vrouw, maar iemand uit de hoogste aristocratische kringen. Met Recollection for So-Hee nam ik daar in 2006 al een voorschot op, het openingslied daarvan is een gedicht van Su-Huh Hun-Nan. Haar rol wil ik laten zingen door een Koreaanse professional, als het even kan door mijn zanglerares. In het derde deel ontmoeten de beide vrouwen elkaar, gespeeld door de Nederlandse en de Koreaanse.”

JungGa – 2009 – hobo/musette, ensemble – 17’
JungGa, waarvoor ik in 2010 de Toonzetters Prijs kreeg, gaat over het imiteren van spontane heterofonie in uitgeschreven muziek. In Koreaanse muzieknotaties staan grafische tekens die aangeven welke versiering een musicus moet spelen, maar niet precies hoe zij of hij dat moet doen. Maar in JungGa heb ik alles precies genoteerd. Ik schreef het stuk voor Ernest Rombout, de hoboïst van het Nieuw Ensemble. Met hem heb ik wel goed overlegd welke glissandi, verschillende vibrato’s, boventonen, en multiphonics hij op zijn instrumenten kon spelen.

“In JungGa bevalt me de helderheid van het muzikale idee, gewoon die mooie hobo met al zijn buigingen en glissandi in één lange lijn, zonder onderbreking. In het begin en in het midden klinkt er een vibrerend geluid, opeens heb je daar een heel ander type muziek. In de samenstelling gebeurt er dan ook van alles, alle partijen hebben een iets verschillend ritme waardoor de muziek nog eens extra lijkt te vibreren. Die ontdekking was eigenlijk een gelukkig toeval, het stond niet in het plan, het idee deed zich plotseling voor. Zulke gelukjes zijn altijd welkom. Daarna wordt er een muur van geluid opgebouwd met een enorme energie, zwoegen en dreunen, een rijke klank met een halo van boventonen.”

Fragments – 2009 – altsaxofoon, elektrische gitaar, piano, percussie – 13’
“Dit stuk bestaat uit 26 fragmenten van meestal twintig tot dertig seconden, de inzet van een nieuw fragment ligt niet vast maar gaat op een cue van een van de spelers. Ook binnen de segmenten is er ruimte voor inbreng van de musici, voor interpretaties en creatieve ideeën, vooral wat de klankkleur betreft. Zo probeer ik langzamerhand de controle een klein beetje uit handen te geven, er zijn zoveel fantastische, intelligente musici, wat zouden die niet kunnen toevoegen? Maar ik heb ook heel wat slechte improvisaties gehoord. Ik kan snel verveeld raken door bepaalde jazzmusici, de manier waarop ze improviseren: maniërisme, clichés, voorspelbaarheid; daar moet het dus niet heen.”

Procession – 2011 – trombone, symfonieorkest – 14’
“Het pre-compositieplan dat ik voor dit concerto had gemaakt, is totaal onbruikbaar geworden. Het had een goeie structuur om mee te beginnen, maar bij de invulling en detaillering liep het helemaal anders. Het intro groeide uit tot een compleet deel van vijf minuten. Soms heb ik iets bedacht dat ik daarna weer totaal vernietig, dan kan het me behoorlijk dwars zitten dat het toch weer anders wordt. Ik weet pas zeker hoe het moet als ik met de echte muziek bezig ben, met de invulling. Dat levert soms onvermoede ideeën op, maar ook veel extra werk. Afgaan op je intuïtie heeft zo zijn voor en zijn tegen.

“De samenklank is hier het uitgangspunt, zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Ik wilde stevige harmonische progressies in dit stuk. Maar soms blijft een akkoord een tijd lang liggen, dan laat ik om beurten de verschillende tonen aanzwellen of afzwakken voor verschuivingen in de klank. Een Schots klaaglied is eruit gevallen, maar de kerkklokken die ik deze zomer in Italië hoorde, zijn gebleven. Verschillende klokken beieren in quasi-willekeurige tempi tegen elkaar in, net als in het echt, maar vertraagd. Het stuk begint met een simpele melodie die eerst zó langzaam gaat dat je hem niet herkent. Alle tonen duren eerst elf tellen, dan zeven, dan vijf – ik ben gek op priemgetallen, dat werkt altijd. Steeds korter, totdat je de melodie herkent. De piano speelt op een bijna primitieve manier arpeggio’s, in het koper klinkt een monumentale melodie. Een vredig begin, totaal anders dan wat ik van plan was, maar uiteindelijk ben ik er erg content mee.”

Nong Hyun – 2011 - strijkkwartet – 13’
“Voor November Music schrijf ik een strijkkwartet, daar ben ik nog mee bezig. Nong hyun betekent dat wat er tussen de tonen klinkt. De instrumenten worden elektrisch versterkt om ook de kleinste details hoorbaar te maken. Voor de structuur denk ik aan windmolens die alle vier met een verschillende snelheid draaien, dat geeft cycli van verschillende duur en snelheid die elkaar overlappen.” Seung-Ah haalt haar schetsboek tevoorschijn, met windmolens inderdaad, een handvol trefwoorden (timelessness, continuousness, delicate sounds) en een paar uitgeschreven citaten van John Cage, waaronder: “I write in order to hear; never do I hear and then write what I hear.”

Dit interview is het derde hoofdstuk in Intuïtie, durf en een gevoelig oor, het vierde boek in een serie componistenportretten van November Music, Muziekcentrum Nederland en Buma Cultuur. Klik hier om de complete publicatie te downloaden als PDF-bestand.

© Peter van Amstel - 2011