Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Seung-Ah Oh - Korea, Schönberg en de oosterse filosofie die trekt

09/12/2011

Een retourtje Wenen

Seung-Ah Oh

“Muziek was een belangrijk onderdeel van onze familiecultuur”, zegt de in 1969 geboren Seung-Ah Oh, maar in katholiek huize Oh klonk geen oude Koreaanse kamermuziek, geen volksmuziek uit de dorpen of van het platteland. Vader werkte in de jaren zeventig een tijd lang in Saoedi-Arabië, hij kwam terug met een fantastische geluidsinstallatie inclusief taperecorder en een flinke verzameling banden met operamuziek. “Hij draaide Pavarotti, alle grote zangers”, herinnert Oh zich, “heel vaak en heel hard. Toen ik in de jaren zeventig en tachtig opgroeide, vond niemand Koreaanse muziek belangrijk. Op de lagere en middelbare school kregen we wel muziekles, maar daar ging het vrijwel alleen over westerse muziek, vooral klassiek vanaf Beethoven en de romantiek. We kregen theorieles, we zongen liederen van Schubert en Schumann.”

In Koreaanse kringen van redelijk welgestelde stadsbewoners was het gebruikelijk dat de kinderen piano leerden spelen, maar Seung-Ah hield er niet van. “De lesmethode was ontzettend saai, groepsles op meerdere piano’s, dat betekende weinig aandacht en nauwelijks aanwijzingen.” Op haar dertiende stapte ze over op viool, “dat beviel veel beter, maar ik had een slechte leraar”, en ze kreeg verschrikkelijke pijn in haar nek. Moeder wilde graag dat Seung-Ah naar de art highschool zou gaan. “Educatie was heel belangrijk voor Koreaanse ouders, je moest hard je best doen om uiteindelijk je eigen klasse te overstijgen. Ouders staken zoveel mogelijk geld in de opleiding van hun kinderen, voor ons betekende dat: leren, leren, leren.” Maar wat Seung-Ah en de viool betreft zat een topresultaat met die combinatie er helaas niet in. Wel speelde zij Bach, Haydn en Mozart met haar zuster op cello en haar broer op fluit, ter opluistering van de vrijwel wekelijkse party’s en diners met vaders zakenrelaties en bevriende kerkgangers.

Toen eenmaal duidelijk werd dat vioolspelen echt niet langer ging, besloten Seung-Ah’s ouders dat ze dan maar medicijnen moest gaan studeren. “Ik vond het best, ik was gek op biologie en vond het heerlijk om beestjes te ontleden.” Maar ze werd ernstig ziek, en een zomer lang was zij veroordeeld tot plat liggen en niets doen. Daarna kelderden haar gewoonlijk sublieme prestaties, een medicijnenstudie aan een topuniversiteit was daarmee onwaarschijnlijk geworden. De mentor op school, aan wie ze haar probleem voorlegde, bleek een muzieklerares die bovendien compositie studeerde aan de universiteit van Seoul. Compositie, dat leek haar ook wel iets voor haar pupil die altijd hoge cijfers had gehaald voor muziek. Oh: “Dat was waar, maar ik had nog nooit een noot op papier gezet.” Haar vaardigheden op piano en viool, en de theoretische kennis die zij in de muzieklessen op school had opgedaan, leken de mentor niettemin een toereikende basis. “Dus zei ik tegen mijn ouders: ik wil compositie gaan studeren.” Zij waren er niet blij mee. “Voor mijn vader is muziek iets voor in je vrije tijd, en met componeren kun je in Korea geen geld verdienen.” Een maand lang sprak hij niet met haar, maar moeder steunde haar. Seung-Ah kreeg anderhalf jaar lang dure privélessen en leerde harmoniseren, componeren voor stem en piano, noteren van muzikale dictees, beter pianospelen.

“De toelatingstest bij de universiteit was ongelooflijk moeilijk”, zegt Oh. “Vooral de dictees. Tonale muziek was voor mij geen probleem, maar er was altijd een atonaal stuk bij en ik heb geen absoluut gehoor.” Ze faalde, anno 1988 schaamde Seung-Ah zich diep. Het vooruitzicht van een zwaar herexamen met opnieuw het risico het niet te halen trok haar niet aan, en een beetje moedeloos schreef zij zich voorlopig in bij de Ghu-Gae School of Art in Seoul. De compositielessen waren goeddeels een voortzetting van wat ze al had geleerd voor de toelatingsexamens. Zijdelings kwam ook Koreaanse muziek aan bod, maar die werd nauwelijks serieus genomen, ook niet door Seung-Ah: “Als iemand een major had als musicus op de Koreaanse citer kayageum zeiden de mensen: ze haalt zeker lage cijfers voor muziek.” Wel herinnert zij zich levendig haar compositiedocent Jong-Suh Park. Na het bestuderen van een van haar pianosolo’s vroeg hij haar om een gummetje en begon daar willekeurige passages van haar manuscript mee uit te vlakken. “Ik was geschokt. Hij zei dat muziek moet ademen, en dat ik ook stiltes moest leren componeren. Ik had er toen nog geen idee van wat hij daarmee bedoelde.”

Met eigentijdse muziek kwam Seung-Ah sporadisch in aanraking. Zij herinnert zich hoe zij en haar medestudenten in 1989 verplicht een uitvoering moesten bijwonen door een wereldberoemd Frans ensemble. De muziek klonk haar in de oren als ‘heel langzaam bewegende herrie’. “Ik deed mijn best ervan te genieten, maar ik viel erbij in slaap.” Het ging om Quatuor pour le Fin du Temps van Olivier Messiaen, de geniale Fransman aan wie Seung-Ah later haar dissertatie wijdde, en wiens ideeën en technieken nu een intrinsiek onderdeel van haar composities zijn.

De Ghu-Gae School of Art was geen universiteit, maar het halen van een academische graad was wel Seung-Ah’s ambitie. “Mijn moeder had me gesmeekt: meld je nu ergens aan waar je in elk geval wordt aangenomen.” Die kans leek groot bij de Ehwa Vrouwenuniversiteit van Seoul. Seung-Ah, die toen al ‘een beetje feministisch’ was, moest wel even slikken, een vrouwenuniversiteit was niet goed voor haar trots. Maar voordelen had het ook: “Geen discriminatie tussen de seksen. Want overal en altijd, hoe goed je ook was, kregen mannen veruit de meeste mogelijkheden, of ze het verdienden of niet.” De toelating tot Ehwa leverde geen problemen op en vanaf 1990 studeerde Seung-Ah er compositie, nu kwam opeens ook eigentijdse muziek aan de orde. Of eigenlijk: twintigste-eeuwse muziek. Of, preciezer nog, twaalftoonsmuziek. Dat was confronterend genoeg. “Er was geen overgang, geen brug, geen les waarin iemand ons leerde de stap te maken. Ik was compleet de weg kwijt. Ik wilde goede eigentijdse muziek schrijven, maar niemand legde mij uit hoe dat moest.”

“Iedereen om mij heen hoorde ik over het twaalftoonssysteem praten, dat wilde ik ook proberen.” Aan haar docent Doo-Young Sung die zijn hele leven in Frankrijk had gewoond, vroeg ze naar Schönberg en zijn muziek. “Hij zei: ‘daar weet ik niets vanaf en ik houd er niet van’. Hij gaf me wel een boek, een vertaling uit het Japans, met de mededeling: ‘bestudeer het zelf maar’, en ik ging aan de slag.” Voor haar kwam het neer op een spelletje met getallen, het toepassen van een overzichtelijk systeem. “Voor de les besteedde ik een paar uurtjes aan het schrijven van een stukje, ik hoefde er niet eens naar te luisteren om te weten of het klopte.” Het klopte volgens haar leraren altijd, Seung-Ah werd geprezen als een van de beste componisten van haar klas. “Intussen snapte ik helemaal niet waar het echt om ging, ik scheerde over het oppervlak zonder iets van de essentie van twaalftoonsmuziek te begrijpen.” Haar docenten leken nauwelijks in muziek geïnteresseerd, en waren beperkt in wat ze te bieden hadden. Toch besloot Seung-Ah te blijven om in Seoul tenminste haar mastersgraad te halen. Maar promoveren in Korea, dat wilde ze niet, zoveel stond vast.

In 1996, met haar afstuderen in zicht, begon Seung-Ah zich te verdiepen in de studiemogelijkheden in de Verenigde Staten. Dat lag om twee redenen voor de hand: de keuze uit een keur aan universiteiten, en een voertaal die zij kon verstaan, Engels. Ze had wel eens van de University of Pensylvania gehoord, een paar medestudenten hadden een oog laten vallen op University of Illinois at Urbana-Champaign, en op de Rutgers University of New Jersey schenen belangwekkende componisten te doceren. Seung-Ah meldde zich aan bij alle drie. Aan de twee laatstgenoemde kon zij terecht, ze koos voor Illinois.

Haar eerste college American style (1996) was een verbijsterende ervaring. Een orerende professor voor de klas die zinnen sprak van wel dertig seconden, over twintigste-eeuwse muziek die ze niet kende, doorspekt met wonderlijke muziektermen. Geen boeken, geen discussies. En dan de seminars. Een professor die vragen stelde waarop jonge studenten met allerlei wijze antwoorden kwamen. Ondenkbaar in Korea, een cultuurschok. Nog moeilijker te volgen, waren de verplichte colleges en workshops elektro-akoestiek. Met de wetenschappelijke terminologie van de natuurkunde was Seung-Ah niet bekend, niet eens in het Koreaans. “Maar de kennismaking met elektronische muziek was voor mij een belangrijke eyeopener, alleen was ik nog zo druk bezig alles bij te benen, dat ik geen tijd had me af te vragen wat ik mooi, belangrijk of interessant vond.” Het probleem van de moeilijk te volgen colleges loste ze op door een jaargenoot meteen ‘s avonds alles voor haar te laten herhalen, in ruil voor een gratis maal.

De hoofdmoot van het curriculum was nog altijd twaalftoonsmuziek, voor haar compositiedocent John Melby, vriend van de doorgewinterde serialist Milton Babbitt, de énige muziek. “Hij leerde me veel over het gebruik van tijd, over timing en frasering. Dat twaalftoonsmuziek niet een in zichzelf gesloten systeem is waar na handige manipulaties muziek uit komt, maar dat alles begint met een muzikaal idee. En dat het systeem niet heilig is, maar dat je het naar eigen inzicht kunt manipuleren.” Als altijd was Seung-Ah heel goed in wat ze deed, en toen Melby met pensioen ging, moedigde hij haar aan vooral door te zetten. Hij adviseerde haar een overstap naar de Brandeis University in Boston, de Tweede Weense School aan de Eastcoast (Schönberg zelf gaf er ooit les). Oh: “Opnieuw een erg conservatieve opleiding, maar ik leerde er oneindig veel meer dan ik ooit in Korea had kunnen leren. Mijn muziek werd meer muziek.”

Dat kwam ook doordat er te Brandeis niet uitsluitend muziek van Weners te vinden was. “Ik hoorde er Messiaens Réveil des Oiseaux, misschien omdat het op een cd-tje stond met muziek van Schönberg en Strawinsky. Ik luisterde er opnieuw en opnieuw naar, en begon er echt van te houden. Hoewel hij steeds hetzelfde lijkt te doen, blijken zijn melodieën altijd verschillend. De langzame verandering van de harmonie. Die ingenieuze transformaties, ik wilde precies weten hoe hij dat deed.” Om daar achter te komen besloot Seung-Ah een dissertatie te wijden aan Réveil des Oiseaux, wat tevens haar eigen ontwaken inleidde. Want na opnieuw drie jaar muzikaal sleutelen aan haar twaalftoons muziek, had zij de onbedwingbare behoefte aan even heel iets anders. “Ik zat nog steeds vast in dat systeem, ik moest er gewoon eens even een tijdje tussenuit.” Zij vatte het plan op een jaar door te brengen in Europa, en vroeg haar docent, David Rakowski, om een jaar uitstel van haar promotie.

Tot haar verrassing ging hij er meteen serieus op in. Een van zijn studenten studeerde al met een Fullbright Scholarship in Den Haag, het Koninklijk leek hem ook wel iets voor Seung-Ah. “Ik wist niets van Den Haag, maar Nederland leek me een goed idee. Ik wilde niet eerst Frans, Duits of Italiaans hoeven leren, en ik begreep dat Engels in Nederland geen probleem is. De grote naam bleek Louis Andriessen te zijn, dus bij hem meldde ik me aan.” Nieuwsgierig naar wat haar in Nederland te wachten stond, ging Seung-Ah in de universiteitsbibliotheek van Boston op zoek naar de muziek van Andriessen. Ze vond een partituur met een wonderlijke combinatie van instrumenten, alle notenstokken verticaal met elkaar verbonden. En er was een opname van Orkest De Volharding, het kan Workers Union zijn geweest, of Hoketus of Hout. “Wat is dit?”, vroeg Seung-Ah zich verbijsterd af. “Hoe kan dit muziek zijn?” Kort daarop, zomer 2001, werd zij hartelijk uitgenodigd te komen studeren aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Ze twijfelde nog. Wel had zij inmiddels een jonge componist uit Hongkong ontmoet, Aenon Jia-en Loo. “Hij speelde de hele tijd in het binnenwerk van de piano, ik hoorde de boventonen zingen en dacht: waarom dompel ik me niet onder in al die prachtige klanken? Waarom schrijf ik de hele tijd van die barre muziek?” Ze was vooral onder de indruk omdat Loo met hetzelfde gemak complexe pianomuziek kon spelen. “Maar hij koos ervoor dat niet te doen omdat hij van eenvoudige, prachtige dingen hield. Ik had nog nooit iemand meegemaakt die dat deed. En eigenlijk wilde ik dat, geloof ik, ook.”

Seung-Ah vertelde Bernard Rands, docent aan Harvard, over haar acceptatie door het Koninklijk, en over haar twijfels na wat ze van Andriessen had gezien en gehoord. Dat trof. Nog diezelfde zomer zou Andriessen naar de VS komen voor een programma met de Jacob’s Pillow Dance Company. Bovendien was Rands goed met hem bevriend, ze hadden samen bij Berio in Italië gestudeerd. Andriessen zou logeren in Rands’ landhuis bij Tanglewood, en hij nodigde Seung-Ah uit daar kennis te komen maken met de befaamde Nederlander. Ze luisterde er naar zijn lezing, en Andriessens kennis, humor en welbespraaktheid maakten indruk. “Ze komt bij jou studeren”, introduceerde Rands de Koreaanse, en het leek meteen te klikken. In dat landhuis in de buurt van Tangelewood nam Seung-Ah misschien wel de belangrijkste beslissing van haar carrière, in Nederland liet zij Wenen voorgoed achter zich en zij herontdekte er Korea. “Eenmaal in Holland veranderde mijn muzikale leven compleet. Ik werd een echte componist.”

Dit interview is het tweede hoofdstuk in Intuïtie, durf en een gevoelig oor, het vierde boek in een serie componistenportretten van November Music, Muziekcentrum Nederland en Buma Cultuur. Klik hier om de complete publicatie te downloaden als PDF-bestand.

© Peter van Amstel - 2011