Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Internationaal Gamelan Festival Amsterdam

01/05/2007

Fijn, teer en mystiek

Een volwassen gamelanorkest telt meer dan twintig musici, zo’n weelderige bezetting is in Nederland zelden vertoond. Dansers en danseressen, poppenspelers en acteurs zijn gewoonlijk de hoofdfiguren in buitenlandse presentaties van Indonesische podiumkunsten, met de musici in een bescheiden, begeleidende rol. Maar tijdens het Internationaal Gamelan Festival Amsterdam staat de muziek centraal. De orkesten zijn groot en er komen componisten mee. De een bedacht muziek voor koebellenorkest, een ander nieuwe Balinese gamelanmuziek, of zangeressenzang bij Javaanse, Afrikaanse en westerse instrumenten. Zo komen naast traditionele stukken ook kreasi baru en musik kontemporer aan bod - nieuwe creaties en eigentijdse muziek die de tradities fris houden.

Nederland is een gamelanland. Het is moeilijk te zeggen waar, buiten Indonesië, de meeste gamelans te vinden zijn: in de Verenigde Staten, Japan of hier. Maar het waren de Nederlanders die rond 1940 als eersten muziek uit een kolonie serieus namen. Sindsdien waagden talloze amateurs, en later ook professionals, zich aan het bespelen van Javaanse of Balinese gamelans. In het componeren van nieuwe stukken gingen Nederlanders, maar ook Amerikanen, Engelsen en Duitsers, vaak radicaler te werk dan de Indonesiërs zelf. Dit festival laat horen en zien hoe de verhoudingen tussen traditie en vernieuwing liggen in de driehoeksrelatie Java-Bali-Nederland.

primitieve geluiden
Grote en kleine bronzen gongs met een brede rand, een knobbel in het midden, en slaginstrumenten met bronzen toetsen (metallofoons) zijn de kenmerkende instrumenten van een gamelan. In een Javaanse hofgamelan klinken behalve het brons ook een strijkinstrument, fluit en citer, een xylofoon en trommels, mannen- en vrouwenstemmen. Verder nog wat kleine percussie zoals cimbaaltjes, woodblocks, kleppers. Een Balinese gong kebyar (de Balinezen zeggen liever gong dan gamelan) omvat gewoonlijk alleen percussie: gongs, metallofoons, bekkentjes en trommels.

De Nederlanders die vanaf de zeventiende eeuw op en neer voeren tussen Amsterdam en Batavia (Jakarta), waren vooral geïnteresseerd in nootmuskaat en foelie, kruidnagel en kaneel. Handelaren, regenten en ambtenaren hadden weinig belangstelling voor de mensen en hun cultuur in de kolonie Nederlands Indië. Maar wie nooit naar de Oost reisde was wel nieuwsgierig naar de curieuze zeden en gebruiken van de inlanders, alleen bekend uit spannende verhalen. De Nationale en Koloniale Nijverheidstentoonstelling in 1879 te Arnhem en de Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in 1883 te Amsterdam werden dan ook een grote successen. Er waren Indische woningen nagebouwd, compleet ingericht en voorzien van bewoners. [voor Nederlandes de eerste gelegenheden kennis te maken met inlanders in levenden lijve. En met de muziek die zij maakten.] Op het repertoire van overgevaren gamelanorkesten prijkte behalve aangepaste versies van Wien Neêrlandsch Bloed door den Aâdren vloeit en het Wilhelmus ook traditionele Javaanse muziek en dans.

De gevestigde Nederlandse muzikale orde werd er voorlopig niet door in beweging gebracht, componisten en muziekliefhebbers gaven geen krimp. De Franse componist Claude Debussy, nog geen zes jaar later, wel. In 1889 richtten de Nederlanders opnieuw een Indonesisch dorp in, nu op de wereldtentoonstelling in Parijs. Een van de attracties daar was het optreden van danseressen van het hof van Zijne Hoogheid prins Mangko Negoro. Er speelde een gamelanorkest en Debussy was blij verrast: ‘Als we zonder Europees vooroordeel naar de charme van hun percussie luisteren, moeten we toegeven dat onze percussie zoiets is als primitieve geluiden op een kermis.’ Kennelijk, en misschien wel voor het eerst, werd een westers componist getroffen door nu eens niet de curiositeit, maar de kwaliteit van exotische muziek.

fijn, teer, mystiek
In Nederland intussen studeerden zonen van welgestelde, vaak adellijke Javaanse families aan de universiteiten, hier konden zij een gedegen opleiding genieten. Zij richtten verenigingen op en organiseerden soirées artistiques, culturele avonden waarop onder meer gamelan werd gespeeld. Meneer Soerjopoetro van de Indische kunstkring Langen-Driyo schreef artikelen over muziektheorie en publiceerde Javaanse muziek in westers notenschrift. Ook Nederlanders waren van de partij. Mejuffrouw Jo Meyer speelde piano als begeleiding bij Javaanse dansen. In Het Vaderland stond te lezen: `Dat fijne, teere, mystieke, laat het zijn soms wat eentonige, maar toch zoo echt-artistocratische in Indië, zal door lijn en gebaar het Westen kunnen bevruchten en van eerbied vervullen'. Steeds meer Javanen in Nederland en steeds meer Nederlandse liefhebbers bespeelden Javaanse en Balinese gamelans.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlog steunde het Koloniaal Instituut (nu Tropeninstituut) in Amsterdam de hier achtergebleven Indonesiërs financieel, en muziekgroepen mochten optreden in het museum. Vanaf februari 1940 speelde tussen het statige marmer elke zondagmiddag een gamelanorkest, tot de sluiting van het instituut in 1944. Na de oorlog werd deze traditie weer opgepikt dankzij muziekconservator Jaap Kunst (1891-1960), voorheen ambtenaar voor het ‘systematisch musicologisch onderzoek in den Indischen Archipel' te Bandoeng. Pas in 2006 kwam er definitief een einde aan de tot dan toe (meestal) maandelijkse concerten in het Tropenmuseum, de gamelan verdween in de schappen van het depot. Maar speciaal voor het Internationaal Gamelan Festival mag hij er weer even uit.

Topmusici van het kunstinstituut Institut Seni Indonesia in Surakarta zullen aanschuiven bij de Nederlanders voor een stuk in de krachtige stijl van een andere paleisstad, Yogyakarta; daar komen de instrumenten oorspronkelijk vandaan. Voor de rest van het programma speelt de Javaanse groep (toch al fors en ook nog eens aangevuld met ervaren Nederlandse en Engelse musici) op instrumenten van recentere makelij. Op het programma staan concertstukken, naast begeleidingen van moderne choreografieën op basis van vertrouwde thema’s: een liefdesduet, een episode uit het Mahabharata-epos, een maskerdans.

academies, dorpen en paleizen
In de kratons, de voormalige paleizen op Java, wordt het oude repertoire in ere gehouden. Dit erfgoed wordt ook gedoceerd aan muziekscholen en muziekacademies, maar daar experimenteren docenten en hun leerlingen bovendien volop met westerse harmonieën, ongebruikelijke vormen en maatsoorten, piano's, koperblaasinstrumenten en violen, Afrikaanse trommels en elektronica. Weinig van dit alles is interessant en solide genoeg voor uitvoering in het buitenland. Nieuwe muziek van betekenis komt van een select gezelschap componisten, onder wie Wayan Sadra die als musicus meekomt naar Amsterdam, en Aloysius Suwardi wiens koeienbellengamelan een Nederlandse première zal beleven.

Terwijl op Java de muzikale vernieuwingen op niveau worden gehouden door een handvol specialisten, is op Bali het creëren van nieuwe stukken een vanzelfsprekend onderdeel van de gong kebyar traditie. Net als op Java werden de muziek- en danstradities op Bali gekoesterd in de paleizen, maar toen de Nederlanders in 1906 het eiland in bezit namen verloren de paleizen hun betekenis. Voormalige hofmusici zetten de muziektradities voort in de dorpen, en overal op het eiland kwamen muziekverenigingen. Daar worden niet alleen tradities bewaard, daar worden ook nieuwe stukken gemaakt.

De Javaanse gamelan was ooit het voorbeeld voor de Baliërs, maar de bewoners van het hindoeïstische eiland (in het grootste islamitische land van de wereld) houden van een virtuoze, explosieve speelstijl. Daarom ontwikkelden musici en smeden in het noorden van Bali rond 1910 de gong kebyar, een verzameling compacte dus snel bespeelbare, krachtig klinkende instrumenten, moderne varianten van gongs en metallofonen. Er werden nieuwe stukken gecomponeerd in nauwe samenhang met choreografen, dansers en danseressen. Dansbewegingen en muziek van de kebyar zitten vol verbluffend scherpe wendingen en gaan spatgelijk. De Balinese hang naar hard, snel en spectaculair heeft ook een keerzijde, want inmiddels is de gong kebyar zo ingeburgerd geraakt dat oudere, milder klinkende ensembles steeds minder vaak te horen zijn.

Volgens het principe ‘dicht bij de traditie maar toch anders’ maken componisten op Bali voortdurend nieuwe stukken voor de gong kebyar. Een nieuw stuk komt vaak al spelend tot stand, de componist werk samen met de muzikanten. Rond een relatief eenvoudige melodie bouwen zij virtuoze omspelingen, uitbundige versieringen, plotselinge wendingen en abrupte hard-zacht-contrasten. Vernieuwen op Bali betekent vooral herontdekken, herschikken en herinterpreteren van oude vormen, het opnieuw gebruiken van elementen uit oude, soms al bijna vergeten stijlen. Binnen die beperkingen tonen de Baliërs zich meesters van de kreasi, de Balinese kebyar-traditie is er een van elastiek.

Op het festivalprogramma staan zowel monumentale dansstukken uit de beginperiode van de kebyar, als nieuwe composities van Gede Arnawa en Gusti Bagus Sudiatmaka Sugriwa.

elektronica, minimal music, basklarinet
Dat gamelanmuziek iets voorstelt, zoals Indonesiërs weten en Debussy al in 1889 opviel, drong pas een kleine eeuw later tot Nederlandse componisten door. In 1975 presenteerde Ton de Leeuw een modern stuk voor gamelan, Gending. Daarna volgde Will Eisma met muziek voor Balinese gamelan en elektronica, en vervolgens een hele reeks Nederlandse componisten die zich door het Indonesische brons lieten en laten inspireren.

En de Nederlanders waren niet alleen, ook Duitsers en Engelsen, Japanners en Amerikanen raakte gefascineerd. Dankzij Jaap Kunst’s Amerikaanse collega Mantle Hood kwamen er al vroeg gamelans op de universiteiten in de Verenigde Staten terecht. Dat leverde niet alleen uitstekend spelende gamelanensembles op, maar ook generaties Amerikaanse componisten die óf muziek schreven en schrijven voor gamelan, al dan niet gecombineerd met westerse instrumenten, óf muziek op basis van gamelanstijlen en vormprincipes. Steve Reich bedacht op basis van Afrikaanse en Indonesische muziek zelfs een heel nieuw muziekgenre, minimal music, muziek met veel herhalingen en kleine verschuivingen, een stijl van componeren die wereldwijd navolging kreeg.

In Nederland is componiste Sinta Wullur in dit opzicht het produktiefst. Zij liet chromatisch (westers) gestemde gamelaninstrumenten maken die zij ditmaal combineert met strijkkwartet, basklarinet en slagwerk, zangers en koor, dansers en poppenspeler. Het festival opent met de uitvoering van haar fonkelnieuwe opera Sita’s liberation, een moderne interpretatie van een eeuwenoud Ramayana-epos. Het festival eindigt met een massale, onder leiding van de Baliërs ingestudeerde uitvoering van vocale percussiemuziek die bij hetzelfde verhaal hoort. Als het even wil rond een hoog oplaaiend vuur zoals het hoort, maar in elk geval in het Amsterdamse Oosterpark, de achtertuin van het voormalige Koloniaal Instituut waar de internationale zegetocht van de gamelan ooit begon.

BEETJE UITLEG

Javaanse gamelan
Sind het begin van de negentiende eeuw bestaat een Javaanse hofgamelan uit grote hangende en kleinere liggende gongs, het overige brons heeft de vorm van toetsen die boven een klankkast liggen als bij een xylofoon (saron, gender). De leider van het orkest bespeelt een stel trommels (kendhang). Een xylofoon (gambang), een bamboe fluit (suling), een getokkelde citer (siter) en een gestreken luit (rebab) maken het instrumentarium compleet. Er zijn twee zangpartijen, een voor koor en een voor zanger of zangeres.

Gamelanmuziek is gebouwd rondom een kernmelodie (balungan) in het middenregister, gespeeld op metallofoons (sarons, slentem). Hangende en liggende gongs brengen accenten aan, zij benadrukken de structuur. De muziek is cyclisch, het einde van een cyclus, en daarmee het begin van de volgende, wordt gemarkeerd met een van de grootste gongs. Op het hoogst klinkende bronzen toetsinstrument (peking) en tot melodie-instrument gecombineerde kleine gongs (bonang) klinken omspelingen en versieringen.

De overige, niet bronzen instrumenten spelen tegenmelodieën die wel met de kernmelodie verwant zijn, maar vooral heel vrij en zelfstandig klinken. Een trommelspeler leidt het geheel met langzame, statige drumpatronen in gedragen concertstukken, of met spectaculair drummen bij het een-op-een volgen van de bewegingen van een danser. Het resultaat van deze weelde aan melodieën en variaties, tegenstemmen en accenten is een rijke heterofonie.

Javaanse gamelanmuziek is pentatonisch, het oktaaf is onderverdeeld in vijf tonen. Er zijn twee basistoonschalen in gebruik, een met halve toonsafstanden (pélog) en een zonder (sléndro). De tonen van de ene reeks komen niet overeen met die van de andere, daarom telt een complete Javanse gamelan van ieder instrument twee exemplaren, een pelog- en een slendro-exemplaar. Pelog-instrumenten hebben overigens zeven tonen, maar daarvan klinken er in een muziekstuk in principe niet meer dan vijf.

Balinese gong kebyar
De Balinese gamelans zijn afgeleid van de Javaanse, de instrumenten zijn van dezelfde types en het cyclische structuurprincipe is gelijk. De Javaanse oorsprong is nog goed te horen in de muziek van de archaïsche gong gedé (op Bali gebruikt men liever het woord gong dan gamelan). Het repertoire voor dit ensemble is naar Balinese begrippen statig en weinig virtuoos, toch valt meteen op dat de Balinezen van snelheid en een scherp gearticuleerd geluid houden: harde hamers, een flink tempo en snelle versieringen.

Om sneller en virtuoser te kunnen spelen, ontwikkelden muzikanten in Noord-Bali vanaf de jaren derti van de vorige eeuw een instrumentarium dat beter geschikt is voor een spectaculaire speelstijl, de gong kebyar. Een gong kebyar is vijftonig, de toonladder is ongeveer hetzelfde als een van de pélog-reeksen uit Java. Van alle toetsinstrumenten zijn er twee, het ene iets hoger gestemd dan het andere. Twee samen klinkende, nét niet even hoge tonen klinken als één toon met een snel variërende sterkte (vibrato), daar dankt de Balinese gamelan zijn zinderende klank aan. In de kebyar is het spelen van razendsnelle, spatgelijke loopjes tot grote hoogte ontwikkeld. De techniek die daarvoor nodig is heet kotekan, het idee erachter is eenvoudig. Verdeel een melodisch patroon in twee partijen, schrap in iedere partij een deel van de tonen, maar zo dat beide partijen samen de complete melodie opleveren. Geoefende spelers halen op deze manier duizelingwekkende snelheden.

Balinese jegog en cak
Er zijn niet per se bronzen instrumenten nodig om gamelanmzuiem te spelen, met bijvoorbeeld alleen mondharpjes, zangstemmen of bamboe instrumenten kan het ook. Een jegog ensemble is geheel opgetrokken uit bamboe buizen, de basinstrumenten (gongs) zijn zo groot dat de muzikanten er bovenop zitten. Cak (spreekt uit: tsjak) of kecak is in de vorige eeuw bedacht als voorstelling voor toeristen. Rondom een groot vuur zitten tientallen zangers die spectaculaire vocale ritmische patronen ten beste geven. De zangers stellen het apenleger voor in een verhaal uit het Ramayana-epos.


Beyond, mei 2007 © Peter van Amstel - 2007