Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Van Barber tot Glass

22/06/1999

Een eeuw lang Amerikaans componeren

‘Ik vind dat een componist zijn eigen vormen moet smeden vanuit de vele invloeden die op hem afkomen, en nooit zijn oren moet sluiten voor welk gedeelte van de klankenwereld dan ook’, schreef componist Henry Cowell (1897-1965). Die uitspraak illustreert niet alleen zijn eigen aanpak, maar ook die van talloze landgenoten. Zij zetten hun oren open en bedachten muziek die varieert van vriendelijk melodieus tot venijnig complex, gebouwd op tradities of eigenzinnig experimenteel.

Kwaliteitsmuziek
Als een van de weinigen Amerikaanse componisten koos Samuel Barber (1910-1981) geen positie. Hij sprak geen voorkeuren uit voor tonaal of atonaal, Stravinsky of Schönberg, traditioneel of modern. Barber ging zijn eigen gang. Hij was de meester van de lyrische melodie, maar hij schrok er niet voor terug die te voorzien van complexe begeleidingen en schrille dissonanten. Met tijdgenoten als Charles Ives luidde Barber een nieuw tijdperk in van Amerikaans-vrijzinnig componeren.

Tot begin jaren zestig stelden academici en directeuren van concertpodia de norm voor kwaliteitsmuziek. Experimenten vielen daar niet onder, laat staan de populaire muziek van Broadway-musical en Hollywood-film, TinPan Alley-songs en jazz. Maar het publiek dacht daar anders over. Het bewonderde George Gershwin om zijn meezingbare songs en zijn jazzy bleu notes.

De grenzen tussen klassiek en populair werden geslecht. Leonard Bernsteins komische operette Candide kwam dicht in de buurt van een Broadway-musical. Aaron Copland streefde naar de directe eenvoud van volksmuziek die hij cultiveerde voor het concertpodium. En omgekeerd lieten Hollywood- Broadway- en jazzcomponisten zich inspireren door klassieke stijlen. Intussen noteerde Morton Feldman in grafische partituren lange stukken vol schijnbaar vrijstaande klanken, Philip Glass en Steve Reich boden tegenwicht met hun minimal music.

Als de American spirit deze eeuw ergens zijn onafhankelijke en avontuurlijke aard toonde, dan was het wel in de muziek. Europeanen hebben er vaak met ongeloof en onbegrip naar geluisterd, zich afvragend waar de Amerikanen de moed vandaan haalden zo oneerbiedig met het klassieke erfgoed om te gaan. Toch zijn Amerikaanse componisten die met veel eerbied voor de traditie te werk gingen. Bijvoorbeeld in hun muziek voor strijkkwartet.

Lyrische schoonheid
In de bijdrage van De IJsbreker aan American Adventures leveren het Arditti String Quartet en de Amerikaanse pianiste Ursula Oppens het bewijs daarvan. Op het programma staan stukken van recente datum, maar in een curieuze afwisseling.

Autumn Rhythm van Jay Alan Yim is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van de revolutionaire action painter Jackson Pollock. Het stuk speelt de dramatische tegenstelling uit tussen een beweeglijk weefsel van chaotische klankdruppels, spatten en streken, en een statische, bewegingloze oppervlakte. David Felder componeerde zijn kwartet rond contrasten tussen gewelddadig snelle en statische energieën. De macho agressie die in Third Face de overhand heeft, wordt nu en dan getemperd door ijl fluitende boventonen.

De pianokwintetten van Wuorinen en Carter maakten diepe indruk toen ze vorig jaar in Amerika ten doop werden gehouden. Wuorinen, ooit een van de vaandeldragers van het intellectuele New-Yorkse uptown-idioom, heeft zich in de tweede helft van zijn carrière verzoend met harmonie en welluidendheid. ‘Ik kan me de tijd nog herinneren dat ik alle zeilen moest bijzetten om Wuorinen te begrijpen’, schreef een criticus. ‘Ditmaal had ik moeite om me niet willoos aan de lyrische schoonheid over te geven.’

Elliott Carters reputatie stoelt onder meer op een reeks indrukwekkende strijkkwartetten die buiten elke traditie staan. De vitale, nu negentigjarige componist heeft de ideeën die vijftig, zestig jaar geleden experimenteel waren rustig laten uitkristalliseren.

Fascinatie voor geluid
Terry Riley, van huis uit virtuoos pianist en jazzimprovisator, heeft zich lange tijd bezig gehouden met niet-westerse muziek. Vanaf 1970 verdiepte hij zich grondig in de orale klassieke muziektraditie van Noord-India. Pas in 1979 begon hij weer muziek te noteren. Toen ook begon aan het Mills College in Oakland de samenwerking met het Kronos Kwartet. In het strijkkwartet zag Riley het ideale medium om zijn muziek tot klinken te brengen.

Reich schreef zijn Triple quartet voor het Kronos Kwartet. ‘Het is een stuk voor drie kwartetten’, lichtte hij toe. ‘Het Kronos, of welk strijkkwartet het stuk ook wil uitvoeren, moet de kwartetten nummer twee en drie tevoren op band opnemen, en dan kwartet nummer een meespelen met de band.’

Harry Partch was autodidact, hij leefde aan de rand van de maatschappij en werd dan ook genegeerd door de gerenommeerde muziekinstituten. Nu is hij bekend als een van de meest vernieuwende, uitgesproken Amerikaanse componisten. In 1930 brak Partch definitief met de Europese erfenis en hij verbrandde alle muziek die hij in de voorgaande veertien jaren had geschreven. Vanaf dat moment zocht hij zijn muzikale inspiratie bij andere culturen. Partch streefde ernaar muziek te creëren die rechtstreeks zou voortkomen uit de menselijke stem en uit de natuurlijke akoestische eigenschappen van klinkende objecten.

Musicus Ben Johnston is behept met een ‘fascinatie voor geluid vanuit een wetenschappelijk oogpunt’. Hij raakte geïnteresseerd in het werk van Partch en werkte enige tijd met hem samen. Voor het Kronos Kwartet maakte Johnston een arrangement van Partch’s U.S. Highball: A musical account of Slim’s transcontinental hobo trip.

Oosterse technieken
Philip Glass (1937) studeerde wiskunde en filosofie aan de Universiteit van Chicago, zijn vrije tijd besteedde hij aan pianospelen. Hij raakte gefascineerd door de muziek van Ives en Webern, besloot componist te worden en schreef zich in voor de Juilliard School of Music in New York. Daar nam hij afscheid van het serialisme om zich te verdiepen in Amerikaanse non-conformistische componisten als Ives, Cowell en Partch.

Vervolgens verhuisde Glass naar Parijs om te studeren bij Nadia Boulanger. Een filmmaker nodigde hem uit muziek van sitarspeler Ravi Shankar te transcriberen, zodat westerse musici die zouden kunnen spelen. Glass accepteerde de opdracht en langzamerhand begon hij de geheimen van de Indiase klassieke muziek te doorgronden. Prompt gooide hij de westerse muziek overboord. Terug in New York paste hij de oosterse technieken die hij had geleerd toe in zijn eigen werk.

Midden jaren zeventig had Glass een indrukwekkende hoeveelheid nieuwe muziek geschreven, merendeels voor zijn eigen Philip Glass Ensemble. Zijn vier-en-een-half uur durende opera Einstein on the beach uit 1975 maakte hem wereldberoemd, het werk staat nu te boek als een mijlpaal in de ontwikkeling van het twintigste-eeuwse muziektheater.

Van meet af aan schreef Glass ook muziek voor zijn eigen instrument, de piano. Tijdens American Adventures speelt hij daaruit een selectie, aangevuld met arrangementen van delen uit onder meer zijn opera’s Einstein on the beach en Satyagraha.

Peter van Amstel


American Adventures, juni-juli 1999, Amsterdam © Peter van Amstel - 1999