Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Joël Bons: De uitdaging van een internationaal tokkelfestival

11/02/1998

Een geniaal moment

Er bestaat in de wereld een schat aan repertoire voor luiten, harpen en citers in alle soorten en maten, maar het tokkelinstrument is in de westerse ensemblemuziek een ondergeschoven kindje. Reden voor Joël Bons, de artistiek leider van het Nieuw Ensemble, om componisten uit niet-westerse landen uit te nodigen nieuwe muziek te schrijven voor zijn ensemble.

Het resultaat daarvan was in februari 1998 weer eens te horen tijdens het Tokkelfestival, een zesdaagse confrontatie van eerbiedwaardige tradities met fonkelnieuwe experimenten. `Het verleggen van grenzen doen we niet zozeer vanuit het gevoel dat we zo nodig iets anders, iets geks moeten doen. Ook niet omdat de mogelijkheden met westerse muziek op zouden zijn. Het is voor mij een natuurlijke neiging.’

Van Darmstadt naar Japan
De belangstelling van componist-gitarist Bons en zijn ensemble voor niet-westerse muziek is minder verrassend dan hij lijkt. Het Nieuw Ensemble dankt zelfs zijn bestaan aan een mix van westerse en Turkse muziek. `In 1980 vroeg Theo Loevendie mij mee te spelen in een muziektheaterstuk dat hij had geschreven op basis van Shakespeare’s Venus and Adonis’, vertelt Bons. Loevendie had zich toen al grondig verdiept in de muziek van Turkije en dat was goed te merken, herinnert Bons zich. `De kleur van het ensemble was Turks-Engels, ook door de samenstelling met mandoline, gitaar, basklarinet, viool en slagwerk. Daarvoor had hij grappige heterofone muziek geschreven, melodieën die op ieder instrument op een eigen manier werden versierd.

`Ik vond het vooral leuk omdat er voor gitaar zo weinig kamermuziek bestaat, daarom wilde ik er graag mee door gaan. Dus probeerde ik andere componisten te vinden die iets wilden schrijven voor het jaar daarop.’ Bons vond Tristan Keuris en Joep Straeser daartoe bereid, en nam ook zelf plaats achter de schrijftafel.

Het ad-hoc ensemble werd omgedoopt in Nieuw Ensemble, van die eerste groep zijn de klarinettist, de mandoline-speler en Bons zelf nog altijd van de partij. In de loop van de jaren werd de tokkelafdeling versterkt met harp, drie houtblazers, (`geen koper want dat is te sterk’), piano (`of wat voor keyboard dan ook’), slagwerk en vier strijkers.

Het uitnodigen van componisten werd een goede gewoonte, inmiddels beschikken de musici over een repertoire van zo’n vierhonderd stukken. Ongeveer tweehonderd daarvan zijn speciaal voor het ensemble geschreven, aanvankelijk grotendeels door componisten uit Midden-Europa. Bons: `Toen ik van het Sweelinck afkwam, ging ik in Italië compositie studeren bij Donatoni, daarna bij Fernyhaugh in Duitsland.’ Intussen bezocht hij overal festivals waar hij allerlei componisten tegen het lijf liep. `Mijn vrienden van toen zijn de componisten van nu.’

De leerlingen van Donatoni, Fernyhaugh en Huber vormden een internationaal gezelschap. `De Japanner Hokawa bijvoorbeeld, van wie we onlangs muziek hebben uitgevoerd tijdens een Japan-festival, studeerde begin jaren tachtig bij Klaus Huber. Ik ben in die tijd ook in Parijs geweest bij Boulez in het IRCAM en ik kwam vaak in Darmstadt. Die grand tour van 1981 is heel belangrijk voor mij geweest.

Coltrane, Beethoven en China
`Ik ben gepokt en gemazeld door mijn hevig post-seriële leraren, terwijl ik het met hun muziek eigenlijk wel moeilijk had. Ik wilde er alles van weten, omdat het intelligent en geweldig is. En omdat je je daarmee aus einander setzen kunt. Maar het is niet de muziek die van nature bij mij past. Ik ben gewoon nieuwsgierig, dat had ik vroeger achter de piano al. Toonladders studeren kon ik niet, ik maakte er altijd meteen iets anders van. Het is de lol van iets nieuws vinden, de euforie van het kind dat iets ontdekt. Jeetje, een rare samenklank, wat is dit nou? Dat gevoel.’

Bons prijst zich gelukkig met zijn broer die John Coltrane grijs draaide, en met de buitenissige muzikale voorkeuren van zijn ouders. Die maakten niet alleen verre reizen, maar legden ook een bonte platenverzameling aan. `Mijn ouders gingen altijd bij platenwinkel Charles rare platen halen, van James B. Johnson tot muziek uit de Kongo. Ze hadden ook van die kleine plaatjes van Jean Bosco, daarop hoor je Afrikaanse mannen met een gitaartje en heel lieve liedjes.’ Bons zingt een onverstaanbare regel voor die eindigt op banana. `Weet ik veel wat dat betekent, maar dit zing ik nog steeds voor mijn kind. Ik heb lang gedacht dat de Beatles mijn gitaarliefde hadden veroorzaakt, maar het waren in werkelijkheid die Afrikaanse muzikanten.’

Muziek was voor Bons veel meer dan Bach en Beethoven, de westerse traditie kwam pas in zicht tijdens zijn conservatoriumtijd. `Ik begon bij de Beatles en Frank Zappa, Soft Machine en Coltrane, daarna kwamen Bartók en Stockhausen, en pas vervolgens Beethoven en Bach. Veel mensen van onze generatie hebben dat, vooral als ze met gitaar zijn begonnen. Mensen maken soms de idiootste omwegen in hun muzikale ontwikkeling. Voor mij is het daardoor in ieder geval veel natuurlijker te werken zoals we nu bezig zijn dan in de jaren tachtig, toen we ons nog beperkten tot midden-Europese muziek.

`Wij introduceerden hier in 1986 voor het eerst een groot Donatoni-project tijdens het Holland Festival. Ik programmeerde tien concerten met Italiaanse muziek omdat ik daar die scene zo goed had leren kennen. Dat was dus nog allemaal niet niet-westers.’

Maar daar kwam snel verandering in. Als lid van de International Society of Contemporary Music die was ondergebracht bij Gaudeamus, reisde hij af naar de Wereld Muziekdagen in Hong Kong. Dat was een kolfje naar zijn hand, want `mijn ouders hadden in de jaren zeventig China bezocht. Ze waren maanden weg en stuurden ons dia’s waarop we thuis konden zien waar ze nu weer allemaal naartoe waren geweest. Ik was dus al enorm gefascineerd door dat land. Ik dacht, als ik nou naar Hong Kong ga, dan knoop ik daar voor mijn eigen lol een reisje naar China aan vast.’

Chinese modeloperaatjes
`Die Wereld Muziekdagen zijn altijd erg gekleurd door de plek waar ze plaatsvinden. Als het in Keulen of Manchester is, dan is het gewoon een westerse aangelegenheid. Maar in Hong Kong vond tegelijkertijd een bijeenkomst plaats van de Asian Composers League met mensen uit Maleisië en Japan, Nieuw Zeeland en Singapore, Taiwan en China. Dat was dus veel levendiger dan die gewoonlijk een beetje afgekloven post-Darmstadt-achtige bijeenkomsten.’

Bons maakte kennis met het Hong Kong Chinese Orchestra, `fantastisch was dat, dat is echt een geweldig soort misverstand. Vijftien pipa’s, naar westers voorbeeld van sopraan tot bas, en met al die erhu’s en suona’s. Het klonk waanzinnig, maar wel erg leuk en soms ook best goed. Want zo’n dirigent die al jaren met zo’n orkest werkt weet natuurlijk perfect hoe hij ervoor moet arrangeren.’

In Hong Kong kwam Bons ook de Chinese componisten Tan Dun en de vorig jaar overleden Mo Wuping tegen. `Ik ontdekte in China een enorm levendige en gretige cultuur van mensen die allemaal cassettebandjes hadden, maar niet wisten hoe iemand als Ligety dat allemaal deed. Toch pikten ze die muziek op en vermengden die met hun eigen cultuur. Net als bij ons in de jaren zestig ontstond daar een soort osmose van vreemde dingen die samen kwamen.’

Chinese musici in de dop grepen hun kans toen Deng Chau Ping in 1978 aan de macht kwam en de deuren van het conservatorium in Peking weer opengingen. Maar liefst 17-duizend studenten meldden zich aan. `Terwijl er maar honderd plaatsen waren’, vertelt Bons, `dus er werd niet op kwaliteit geselecteerd. Een plaats op het conservatorium was gewoon een lot uit de loterij.’

Wie tot de gelukkigen behoorde leerde eerst `van die Chinese modeloperaatjes’ te schrijven. Bons: `Maar er waren ook studenten als Tan Dun die controversieel waren en tegen de schenen van het establishment schopten. Die mensen hebben we allemaal gevraagd stukken voor ons te maken en dat wilden ze maar al te graag. Want het Westen gloorde.’ Een spraakmakende project rond Chinese componisten in 1991 was daarvan het klinkende resultaat.

Oncombineerbaar
`Ons kantoortje was gevuld met één grote blauwe rookwalm van zeven kakelende Chinese componisten’, grinnikt Bons. `Ze kwamen hier met tassen vol Chinese gongetjes om het slagwerk uit te breiden. Je moet wel een bepaalde gretigheid en een frisse portie doorzettingsvermogen hebben om dit allemaal te willen doen’, realiseert hij zich. Het Nieuw Ensemble beschikt kennelijk over beide, want na China volgden Azerbeidzjan, Midden-Amerika en Japan.

`Dat is het leuke van dit clubje’, prijst hij zijn ensemble. `We hebben zoveel ontzettend verschillende muziek gedaan, ons de raarste technieken eigen gemaakt. De partituren komen altijd te laat, dus je moet op het laatste moment nog de hele boel in elkaar knippen en razendsnel proberen te begrijpen wat de componist bedoelt.’

Bons verbaast zich er nog altijd over dat zij met de Chinezen verbaal niet konden communiceren, maar dat het met behulp van gebaren toch zo ontzetten goed ging. `Mo Wuping kon alleen maar plus mieux zeggen’, lacht hij. En verder was het no-no-no-no roepen en wijzen. Of Guo Wenjing brulde iets in het Chinees en dan pakte hij een gongetje. Oh ja, op de rand...

`Guo Wenjing, dat is een heel erg goeie componist. Hij is heel vrij en maakt uiterst evocatieve en suggestieve muziek, zonder dat die oppervlakkig wordt. Natuurlijk, er zijn ook heel veel shitterige componisten, vooral in de new age richting. Die schrijven muziek zonder substantie, dan blijft er alleen maar suggestie over. Maar dat is hierbij niet zo, het publiek herkent dat en heeft er waardering voor. De luisteraars en de pers hebben kennelijk genoeg van dat tamelijk formalistische en stijve. Fantastische componisten als Ligety en Boulez niet te na gesproken. De ellende is dat ze zoveel navolgers hebben zonder talent, daardoor heeft de nieuwe muziek het stigma gekregen van saaiheid en droogkloterigheid.’

Dat een niet-Europeaan niet per definitie soelaas biedt, daarvan is Bons zich terdege bewust. `Neem Tan Dun, hij is waanzinnig slim en een charmeur. Soms gaat hij heel erg over de schreef, zoals met zijn Hong Kong Symfonie of zijn kinderkoren. En opeens flikt ie het hem weer. Dan denk ik, godallemachtig, dat is toch weer een geniaal moment met die Tibetaanse zangen. Deze man heeft namelijk zo’n ongelooflijke lef, ook dat is iets heel on-Europees. De lef van: het kan me geen reet schelen wat iedereen er van denkt. Ik doe gewoon zó en ik combineer alles wat oncombineerbaar is. Want dit is wat ik in mijn kop heb.’

Grote trom
Dat er grote verschillen zijn tussen culturen, en niet alleen ten opzichte van Nederland, illustreert Bons aan dat hand van zijn ervaringen in China en Japan. `In China gaat iedereen lachend over straat, ik had daar al gauw het gevoel van vrienden onder elkaar. Maar in Japan is iedereen zo beleefd en vormelijk dat je er bijna krom van gaat lopen. Het lijkt wel of je op de maan bent. Oppervlakkig gezien kunnen ze Sony-apparaten maken en prachtige westerse partituren schrijven, maar daaronder is er iets raars aan de hand.’

Op uitnodiging van zijn vroegere studiegenoot Hokawa reisde Bons in 1997 af naar diens festival in Japan. Vooraf bracht hij een paar dagen door in de oude tempelstad Kyoto. `Ik had een gids, want verder spreekt niemand daar een woord over de grens. Ik had niet altijd zin om achter hem aan te hobbelen, dan zei ik van nee, ik wil dáárheen. Hup, rechtsaf. Dat kon eigenlijk helemaal niet, die eigengereidheid is totaal not done. Maar als je het subtiel doet vinden ze het eigenlijk ontzettend leuk.’

Het niveau van de muziek die Bons op het festival hoorde viel hem erg mee, maar de aanpak van de jonge Japanners stelde enigszins teleur. `Iedereen is heel intens met de nootjes bezig, maar het leek allemaal zo op de Neue westerse muziekfestivals. Die muziek zitten ze een beetje na te doen, terwijl ik het juist leuk zou vinden als ze wat meer cultureel zelfbewustzijn aan de dag zouden leggen.

`Maar ik hoorde ook muziek van een heel gekke jongen, Kashiwagi, die een stuk had gemaakt voor het Japanse mondorgel sho, grote trom en ensemble. Eerst klonk er een sho-solo, vervolgens begon achter in de zaal iemand op een grote basedrum te slaan en tenslotte volgde het ensemble. Dat gaf een mooi theatraal effect en de muziek was spannend.’

Fusion-shit
Het vinden van niet-westerse componisten die vaardigheid en kennis paren aan een frisse benadering bleek lastig. Het was de bedoeling dat alle concerten in het Tokkelfestival zouden worden opgebouwd uit anonieme, traditionele muziek en nieuwe stukken. Het vinden van musici bleek zo’n opgave niet, mede dankzij de inbreng van Huib Haringhuizen, muziekmedewerker van het Tropeninstituut.

De speurtocht naar geschikte componisten verliep minder vanzelfsprekend. Om iemand te vinden uit de Arabische wereld ging Bons te rade bij een van de solisten in het festival, de Palestijnse luitvirtuoos Adel Salameh. Bons: `Ik vroeg hem of hij niet iemand wist die een goed stuk zou kunnen maken voor ud en ensemble. Na lang aarzelden ried Samaleh me iemand aan. Die man stuurde me vervolgens van die vreselijk treurige, quasi-christelijke gezangen met af en toe een totaal waanzinnig oosters-achtig lijntje erdoor. En het was ook nog eens allemaal heel slecht opgeschreven.

`Een van onze mensen is naar Bangla Desh en Calcutta geweest’, vervolgt Bons. `De enige naam waarop ze daar kwamen was die van Clarence Barlow. Hij bleek in Den Haag les te geven. Tsja, wat moderne componisten betreft is China vrij uniek. En Japan natuurlijk, maar dat is in dit opzicht een westers land.’ Zelfs in het relatief nabije Spanje was het flink zoeken geblazen.

Bons: `Flamenco is zo’n traditionele vorm, als je daar iets mee wilt doen wordt het al gauw van die fusion-shit. Wij waren op zoek naar iemand die er echt iets aan die traditie zou kunnen toevoegen zonder de kern ervan te verliezen.’ Via een festivalorganisator in Barcelona kwam Bons in contact met Joan Albert Amargós. Hij bleek dé grote man en maakt arrangementen voor de gitarist onder de gitaristen, Paco de Lucía.

Amargós bleek bovendien een Requiem Flamenco voor groot orkest en een klarinetconcert op zijn naam te hebben staan. `Hij schrijft een beetje Bernstein-achtig, eclectisch, maar is wel een heel goeie componist.’ Zijn neef, die er toevallig bij was, zegde meteen ook een stuk toe. `Zo komt zo’n festival tot stand.’

Un peu snob
Soms zat het mee. Via het Tropeninstituut stuitte Bons op de begeleider van de Marokkaanse zangeres Amina Alaoui, luitist Henri Agnel. `Die heeft, zo bleek, een vervolg geschreven op de Folksongs van Berio.’ En componiste Frangiz Ali-Zade uit Azerbeidzjan was zonder meer een ontdekking. Zij groeide op met het ene oor gericht op de plaatselijke mugam-traditie, het andere op Bach. Aan het conservatorium van Bakoe bestudeerde zij de Weense serialisten.

Dat die mogelijkheid bestond is niet zo uitzonderlijk als het lijkt. Want terwijl het Conservatorium van Rotterdam in de westerse wereld een uitzondering is met hoofdvakken als flamenco-gitaar, Indiase klassieke muziek en Latin, is omgekeerd het doceren van westerse muziek aan oosterse conservatoria veelal gemeengoed.

Van Bakoe tot Caïro en van Istanbul tot Peking werden muziekvakopleidingen ooit opgericht als conservatorium voor westerse klassieke muziek. Pas later kwamen daar de Azerbeidzjaanse mugam, Turkse kunstmuziek of Arabische ud aan bod. Bons: `Door die gemengde achtergrond krijg je een veel opener muzikale benadering. Wij zijn hier allemaal zo eurocentristisch bezig, dat is ontzettend jammer.

`Natuurlijk’, besluit hij, `met die buitenlandse muziek moet je wel oppassen voor het buitenkanterige exotisme van c’est interessant hein, ça, weet je, un peu snob. Maar het is vaak verdomd goeie muziek.’

Peter van Amstel



Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, 1998 © Peter van Amstel - 1998