Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Muziek in Bali

15/08/2000

Zoete pies en zoute pies

Bali is een eiland apart. De overtocht op een roestige, ferry-boot vanaf het zuidelijkste puntje van Java over de smalle zeestraat duurt nog geen uur. In drie kwartier vliegt Garuda Airlines van Jakarta naar de Balinese hoofdstad Denpasar. Maar toen in mei Jakarta brandde bleef het rustig in Denpasar. En terwijl het prestigieuze jaarlijkse kunstfestival in Yogyakarta ditmaal moest worden afgelast, ging de twintigste aflevering van het vierweekse Bali Arts Festival in Denpasar op 14 juni gewoon van start.

Op het merendeels hindoeistische Bali, een unicum in islamitisch-georienteerd Indonesie, zijn muziek en dans een eerste levensbehoefte. Daarmee eren de Baliers hun goden, zo beelden zij de in hun overtuiging eeuwigdurende strijd uit tussen goed en kwaad. Het Arts Festival is een jaarlijkse indrukwekkende poging het beste van het eiland te combineren tot een overzichtelijk, voor iedereen toegankelijk festijn.

Maar waarvoor het festival een maand uittrekt met vier voorstellingen per dag, vindt dagelijks in een oneindig grotere variatie plaats in de dorpen, op straat en achter de muren van de duizenden tempels. Het Arts Festival is slechts een cultureel rustpunt temidden van het chaotisch aandoende leven in dit tropische muziekparadijs.

De chronische onverschilligheid voor dagelijkse ongemakken (lekkende kranen, ratelende airco's, gaten in de weg) en de gelatenheid waarmee Baliers geluidsoverlast voor lief nemen, staat in schril contrast tot de toewijding waarmee zij zich en masse aan de kunsten wijden. De goden hebben geen last van een loshangend stopcontact, een knetterende knalpot stoort ze niet. Voor hen oefenen danseressen het buigen van hun vingers totdat die haaks achterover kunnen staan, te hunner ere maakt een musicus zich met eindeloos geduld het virtuoze gamelanspel eigen.

'De Balinese kunsten weerspiegelen de gewoonten en ethiek, het wereldbeeld en de denkwijzen van de Baliers', schrijft de -inmiddels afgetreden- gouverneur van Bali, Ida Bagus Oka in zijn toelichting op het festival. 'Tijdens het jaarlijkse Bali Arts Festival krijgen traditionele, eeuwenoude kunstvormen een plaats naast moderne kunsten', vervolgt hij, 'die niettemin stevig zijn verankerd in de Balinese traditie. Zo dient het festival zowel het cultuurbehoud als de ontwikkeling.'

Sterker nog, cultuurbehoud en ontwikkeling gaan hand in hand, van radicale vernieuwingen in de uitvoerende kunsten is op Bali niets te merken. Muziek, dans en theater zijn doordrenkt van hindoeistische en pre-hindoeistische symboliek en niemand lijkt zich daarvan los te willen maken. Vernieuwen op Bali betekent herontdekken, herschikken en herinterpreteren van oude vormen, elementen uitwisselen tussen verschillende, soms al bijna vergeten stijlen en, uiterst sporadisch, leentjebuur spelen in India, Japan of het Westen.

Binnen die beperkingen tonen de Baliers zich meesters van de kreasi, de Balinese muziektraditie is er een van elastiek.

'Het componeren van een nieuw stuk is een kwestie van goede melodieen vinden, het aaneenrijgen van passende fragmenten op een spannende manier', legt Ketut Gede Asnawa uit. Hij is componist en docent aan het muzieklyceum Kokar in Denpasar. Nadat hij zich op Bali tot een all-round musicus had ontwikkeld, studeerde hij drie jaar in de Boston. Met de titel MA, Master of Arts voor zijn naam werkte hij vervolgens een tijd lang als universtair docent in Canada.

Tenslotte vestigde hij zich in een buitenwijk van Denpasar, van daaruit reist Asnawa zo nu en dan naar het buitenland. Een ingelijst dubbelportret met de nestor van de Amerikaanse etnomusicologie Mantle Hood, een rijtje cd's van de Amerikaanse slagwerker en muziekvorser Mickey Hart en een bellenblazende Manneken Pis in zijn goudvissenaquarium illustreren Asnawa's internationale carriere.

Aan het Kokar-lyceum doceert hij onder meer westerse muziekgeschiedenis, maar in de composities die hij maakt is van westerse invloeden niets te bespeuren. 'In Balinese muziek gaat het om de melodie', legt hij uit, 'zonder een goede basismelodie stellen al die virtuoze omspelingen, uitbundige versieringen en plotselinge wendingen niets voor. Vaak neem ik delen uit bestaande, oude stukken die ik combineer tot een nieuw geheel', licht hij zijn werkwijze toe. Het stuk zelf komt al spelend tot stand, samen met de muzikanten. 'Die manier van werken is hier heel gebruikelijk.'

'Je moet de nieuwe stukken die wij maken apart zien van de muziek voor rituelen en tempelfeesten', benadrukt hij. Het lijkt wel of de componisten en studenten van Kokar en de Sekolah Tinggi Seni Indonesia (STSI), de Hogeschool voor de Kunsten, rakelings maar onmiskenbaar langs de dagelijkse praktijk scheren. De muziek die zij afscheiden is virtuoos maar fragmentarisch, vinden de musici uit de dorpen, zij tonen weinig waardering voor deze modernistische fratsen. 'Tidak jalan', het loopt niet, vinden ze, de magische kracht ontbreekt eraan.

Toch werken de dorpsmusici volgens hetzelfde principe. Ook zij herinterpreteren bestaande muziek, al zijn hun ingrepen minder drastisch. En ook zij bespelen graag de in de jaren twintig op snelheid ontworpen en explosief klinkende gong kebyar. Sindsdien raakten oude ensembles op de achtergrond. Het repertoire voor de voorname gong gede, de delicate semar pegulingan en sprankelende pelegongan verhuisde veelal naar de gong kebyar die het standaard-orkest werd in vrijwel alle dorpsbuurten en in menige tempel.

De kebyar-competitie tijdens het Arts Festival, een gegarandeerde publiekstrekker, illustreert de populariteit en de veelzijdigheid van het kebyar-orkest. Ensembles uit de negen districten van Bali steken elkaar de loef af met watervlugge repertoirestukken en nieuwe composities vol spectaculaire breaks en orgastische klankexplosies. De muziek loopt als een goed geoliede machine, in concertstukken en dansbegeleidingen. Ook de composities van Kokar-docent Asnawa vinden bijval. Maar plotseling tillen de dansers de danseressen op als in een westerse pas de deux. De meisjes gooien een been in de lucht. Dit moet zo'n modernistische frats zijn, het publiek loeit en gniffelt bij deze ongehoorde frivoliteit.

Toch zijn de Baliers wel wat gewend, via satellietschotels is de westerse amusementsindustrie binnen handbereik. Op de televisietoestellen in eetstalletjes en restaurants, gewoonlijk afgesteld op maximale kleurverzadiging, trekken naast Indiase speelfilms en Balinese zangeresjes (soms niet ouder dan een jaar of acht, dapper happend naar de door volwassenen met dreinstem ingezongen teksten) ook reeksen soaps naar Amerikaans model voorbij in oogverblindende tinten.

Maar op vrijdagavond stemt Bali massaal af op de wekelijkse uitzending van drama gong. Danser Raka Payadnya veranderde in 1960 het romantische dansdrama sendratari in modern volksvermaak met episodes uit de oude epen Mahabharata of Ramayana, of de romantische liefdesgeschiedenis van prins Panji, naar vertrouwd Balinees recept.

Alle zesduizend stoelen, de gangpaden en een goed deel van het grote Arts Festival-openluchtpodium zijn bezet door een joelend en juichend publiek tijdens de rechtstreekse televisie-uitzending van een drama gong-opvoering. Na de verplichte figuren van acteurs en dansers die het eigenlijke verhaal uitbeelden, hebben twee clowns het rijk alleen. Iedereen lacht zich de longen uit het lijf bij de potsen van deze geroutineerde komieken.

Clowneske hofdienaren spelen een rol in ieder Balinees drama. De hoogdravende bespiegelingen van optredende koningen, prinsen en priesters die hoog-Balinees of archaisch Javaans spreken, vertalen zij in voor iedereen verstaanbaar laag-Balinees. Deze lievelingen van het publiek zijn wijs en speels, hemels en aards tegelijk. Zij ontrafelen de metaforen in de oude verhalen, leggen het verband tussen universele waarden en het leven van alledag. Zij steken elkaar naar de kroon met het maken van politieke grappen, het tappen van schuine moppen, het zingen van een hilarisch lied.

De clowns putten zich uit in eindeloze variaties op hilarische thema's als de smaak van pies (zoet of zout, het hangt er vanaf wat je gegeten hebt). Er vallen herhaaldelijk woorden als 'demokrasi' en 'reformasi', in vrijwel alle voorstellingen komt de recente machtswisseling aan de orde, de herwonnen vrijheid van meningsuiting. En de recessie, al lijken de Baliers daar niet al te ernstig door getroffen.

De rijst is duurder geworden, dat wel, en de suiker, maar Bali is een relatief welvarend eiland. De buitenlandse toeristen die zuidelijke kusten van het eiland bezoeken brengen handenvol deviezen in. Als gevolg van de negatieve reisadviezen in mei en juni kwamen zij weliswaar nog niet massaal, maar de stroom lijkt nu alsnog op gang te komen. En al vloeit het meeste geld naar de rijke Javaanse eigenaren van de luxe hotels, de plaatselijke bevolking profiteert volop mee.

'Dinner with traditional Balinese music and dance' is vaste prik in de dollar-hotels met zwembad en airco. Honderden musici, dansers en danseressen verdienen er een deel van hun inkomen met hapklaar gemaakte versies van tempeldansen, trance-rituelen en wayangverhalen. Gestoken in schitterende kostuums, verscholen achter oogverblindende maskers of anders verleidelijk lachend brengen zij de badgasten een cultureel intermezzo tussen het zonnen, surfen en de gang naar de disco.

Niet zelden hijsen de artiesten na zo'n voorstelling hun instrumenten en zichzelf in een vrachtwagen (de ensembles reizen steevast staand in de laadbak) omdat hen nog een bruiloft, tandvijling of crematieritueel wacht. Voorstellingen voor toeristen zijn weliswaar drastisch ingekort en missen de betovering van dorpsoptocht of tempelfeest, maar zij worden veelal gespeeld door dezelfde artiesten. Met dezelfde inzet en perfectie bedienen zij buitenlanders, dorpsgenoten en goden. In Bali gaan kunst en plezier, amusement en ritueel naadloos in elkaar over.

Tot schrik van de ongemakkelijk op hun klapstoeltjes draaiende Australische toeristen bij een voorstelling in het Arma-openluchtheater in Peliatan, met het aangrenzende kunstenaarsdorp Ubud de belangrijkste pleisterplaats voor in kunst en cultuur geinteresseerde vakantiegangers. Een gezelschap uit het dorp Tista in west-Bali speelt een gereconstrueerd dansdrama van zeventig jaar geleden, opnieuw een uiting van creatief hergebruik.

Het stuk begint als een variant op de gracieuze, door jonge meisjes gedanste hofdans legong, maar ontwikkelt zich al snel tot een wilde steekpartij met vervaarlijke krissen, ontleend aan het calonarang-tempelritueel. In het zicht van de gevreesde heks Rangda, de personificatie van het kwaad en gevreesd door iedere Balier, raakt een van de danseressen in trance. Haar serene glimlach verandert in een verbeten grimas, woedend valt zij de heks aan. Tevergeefs, ze wordt stijf als een plank en twee helpers dragen haar weg. Rangda tiert en raast, naast het podium gaat een man tegen de vlakte, ook hij is in trance. Het begeleidende gamelanorkest voert de spanning op met stevig hameren.

Op de podia langs de weg door kunstenaarsdorp Ubud en het aangrenzende Peliatan, gaat het gewoonlijk minder hevig toe. Avond aan avond zijn daar voorstellingen van gracieuze hofdansen, stoere mannendansen en de spectaculaire apendans kecak. Gunung Sari, een van Bali's toporkesten, treedt er wekelijks op onder leiding van de erudiete Wayan Gandra, de Bernard Haitink van Bali. Dit najaar gaat hij met zijn orkest op tournee naar Europa, dan zal hij ook het Muziektheater in Amsterdam aandoen.

De uitvoerige speellijsten van toeristenkantoortjes vermelden niet de tempelrituelen waar poppenspeler Wayan Wija zijn miraculeuze wayangvoorstellingen geeft, waar dansers met extravagante vogelmaskers wayang wong opvoeren, waar de sonore gong gede nog klinkt. Waar en wanneer een orkest van zoemende mondharpen, klaterende bamboe spleettrommels, ratelende trommels of klepperende bekkens te horen is blijkt nergens uit. De grote crematie-optocht die in Peliatan op stapel staat, wordt evenmin aangekondigd. Dat is geen probleem, want voor wie ogen en oren open houdt ligt de informatie voor het opscheppen.

Vijftien houten stieren en leeuwen onder een afdak, vlakbij de 'bird producer' (langs iedere weg zijn neringdoenden in kleurig houtsnijwerk gevestigd, naast schilders, maaltijdbereiders, textielverkoopsters, autoverhuurders) bewaken tijdelijk de scherpe bocht in de weg Ubud-Peliatan. Binnenkort zullen zij in vlammen opgaan met de lichamen van evenzoveel overledenen.

Voor eenvoudige families zijn de kosten voor offers voor de goden, eten en drinken voor de gasten, torenhoge bouwsels, muzikanten, dansers, en uit hout gesneden, van riet gevlochten en van deeg geknede decoraties onbetaalbaar. Daarom bundelen de bewoners van banjar (woonwijk) Kalah hun krachten.

Grote evenementen als deze spreken zich vanzelf rond. Via de monden van chauffeurs (die veelal zelf ook danser of musicus zijn) en gidsen (met steevast een artiest in de familie). Of via het Internet, een Amerikaanse antropologe maakt vanuit haar huis naast de 'bird producer' alle wetenswaardigheden wereldkundig per e-mail.

Hoewel ook het Arts Festival breed wordt uitgemetem op het Internet, zijn in de dure VIP-rijen van het grote amfitheater de sierlijk opgebonden zwarte haren, kleurige kebaya's en batik-sarongs veruit in de meerderheid. Tussen de duizenden bezoekers daarachter is geen toerist te bespeuren. Het Arts Festival is een jaarlijks uitje voor de Baliers zelf.

Componist Asnawa woont met zijn hele gezin het optreden bij van een Duits-Zwitsers ensemble. In een schaars bezette kleine zaal begeleiden de Europeanen onder leiding van een Balier een gambuh-voorstelling. Nee, de bescheiden publieke opkomst hier ligt niet aan de buitenlanders achter de lange bamboe fluiten, denkt hij. 'Gisteravond speelden zij hier eigen composities, een mengeling van westerse en oosterse stijlen. Hun bijdrage werd heel goed ontvangen', waardeert hij beleefd het muziek- en dansproject van de Europeanen. (Eigenlijk vond hij de als vloeibaar rubber bewegende lijven nogal curieus, geeft hij later met zoveel woorden toe. Zijn frase 'zo zou ik nooit te werk gaan' over de compositie van Dieter Mack, gespeeld op gamelaninstrumenten en uit Basel overgevlogen ijzerwerk, laat zich verstaan als 'onzin'.)

'Het gambuh-danstheater stamt uit de veertiende eeuw', verklaart Asnawa de geringe opkomst, 'daar is tegenwoordig niet meer zoveel belangstelling voor.' Gambuh-muziek verhoudt zich tot de populaire gong kebyar als de archaische fietstaxi tot de flitsende shuttle-bus. Asnawa: 'Maar het is de bedoeling van het festival om naast bekende ook oude en mindere gebruikelijke muziek- en dansgenres onder de aandacht te brengen.'

De rest van het jaar is dat alles verspreid over het eiland te zien en horen. Op de dag van de prijsuitreiking voor de kebyahet jaar is dat alles verspreid over het eiland te zien en horen. Op de dag van de prijsuitreiking voor de kebyar-wedstrijd, waarmee het festival ten einde komt, veroorzaakt een optocht met angklung-muziek al weer een flinke verkeersopstopping in de smalle straten van Denpasar. Voor een tempel, even buiten de stad, verzamelen zich mannen in adat-kleding en vrouwen met overdadig gevulde offerschalen op het hoofd. De leeuwen en stieren in Peliatan zijn nu klaar. Boven een rijstveld verwaaien de klanken van een gamelanorkest.

Peter van Amstel


Volkskrant, augustus 2000

© Peter van Amstel - 2000