Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Womex 1994, Berlijn

15/10/1994

Wereldmuziek te koop

Salif Keita komt voorlopig niet meer naar Duitsland. Maar noch de raddraaiers die huizen van allochtone Duitsers in brand steken, noch de rechtse stemmen die vreemdelingenhaat aanwakkeren zijn op zichzelf reden voor de beroemdste zanger van Mali om Duitsland voorlopig te mijden. Het is de houding van de overheid die hem stoort, het bevoegd gezag zou onvoldoende ingrijpen. Niet aardig van Keita tegenover al die festivalmakers en podiumprogrammeurs in Europa die juist gekleurde musici uit Afrika, Latijns Amerika en Azië presenteren met de bedoeling soms expliciet, meestal impliciet begrip, kennis en waardering te bevorderen voor de gekleurde medemens.

Liever expliciet, vinden de managers van gekleurde groepen. Eerder deze maand ontmoetten zij elkaar in Berlijn. Daar vond de eerste World Music Expo (Womex) plaats, een combinatie van beurs en congres voor iedereen die zich beroepshalve met wereldmuziek bezighoudt. Drie jaar geleden begonnen als onderdeel van de popmuziekbeurs Berlin Independance Days (misschien dat daarom de deftige, klassiek niet Westerse en volksmuziekfestivals nog ontbraken), nu zelfstandig.

De drijvende kracht achter Womex is het European Forum of Worldwide Music Festivals, een netwerk van grote en (steeds meer) kleine wereldmuziekfestivals in Europa. Gezamenlijk beschikken ze over een schat aan muzikale en sociale kennis. Die willen ze onderling uitwisselen. Maar vooral het publiek moet beter worden ingelicht, vinden de managers. Yeah, right. The message 's gone man! Musici en bemiddelaars van wereldmuziek optredens voelen zich niet altijd serieus genomen, onbegrip en discriminatie komen soms dichtbij.

In Berlijn was de irritatie daarover voelbaar tijdens de formumdiscussie Vreemdelingenangst & wereldmuziek. Charles Easmon, Ghanees en artistiek directeur van het African and Carribean Music Circuit in Londen weet precies waar het fout ging. `In 1987 staken in Engeland de vertegenwoordigers van een aantal onafhankelijke wereldmuziekplatenlabels de koppen bij elkaar om te proberen de afzetmogelijkheden te verbeteren. Alle betrokken labels zouden worden uitgenodigd maar ik zei: jullie missen er een paar. Er zijn ook labels van Afrikaanse, Caribische, Indiase mensen.'

Hij gaf de adressen, iedereen zou worden uitgenodigd, maar dat gebeurde niet. `Daarom ging ik zelf ook niet, ik had geen zin om daar als enige niet-Europeaan te zitten. Destijds was het volgens mij een uitsluiting met opzet. Sindien hebben de gekleurde muzikanten en hun vertegenwoordigers het gevoel dat ze worden buitengesloten.'

En uitgebuit vind Easmon, want `Afrika is heel continent vol muzikanten, de meesten spreken geen Europese taal, hebben geen idee van handel in muziek. Ze beschikken vaak niet eens over hun eigen instrumenten, hun opnames, muziekrechten. Ze weten niets van uitgeven, van opnamecontracten. Het is gemakkelijk ze te exploiteren, je moet wel erg integer zijn om de verleiding te weerstaan.'

Johannes Theurer ziet dat anders. Hij is radiomaker en sinds jaar en dag nauw betrokken bij alles wat zich in Berlijn op wereldmuziekgebied afspeelt. `De artiesten worden het slechtst behandeld in hun eigen samenlevingen, door hun eigen regeringen. Er zijn geen copyrights, geen wetten om de artiesten te beschermen en te steunen bij het doen van onderhandelingen met Europeanen. De muzikanten zijn onzakelijk, ze hebben het idee dat zij de radio moeten betalen om hun muziek gedraaid te krijgen in plaats van andersom. Het is dus niet helemaal eerlijk de Europeanen alle schuld te geven.'

Theurer krijgt meer bijval dan Easmon. Logisch, want de Ghanees bevindt zich in het hol van de leeuw, temidden van bemiddelaars, platenbazen en festivalmakers. In het volgepakte discussiezaaltje zijn de meeste gezichten blank, de organisatie en promotie van wereldmuziek is onmiskenbaar een Westerse aangelegenheid.

Dat wil niet zeggen dat iedereen verdacht is. Irene van de Wetering uit Leiden heeft de Senegambiaanse groep Ifang Bondi onder haar hoede. Zij maakt zich kwaad over het onbegrip waar zij keer op keer tegenaan loopt. Een schouwburgdirecteur die laat merken dat hij van een Afrikaanse band `wel wat meer springen en zweten had verwacht'. En het publiek is soms al even naief, vindt ze. `We spelen voor mensen die alles weten van iedere lokale popgroep, tot en met de kleur van de sokken. Maar zet ze een Afrikaanse act voor en ze komen niet verder dan: "Oh, die komen uit Afrika". Punt.'

De tijd dat de muziek maar voor zichzelf moest spreken is voorbij, vindt ook Michel Winter uit Brussel. Hij heeft een produktiebuerau en is in Berlijn om zaken te doen. Een flink deel van het jaar trekt hij door de wereld met in zijn kielzog de Roemeense zigeunergroep Taraf de Haïdouks. `Zigeunermuzikanten zijn overal geliefd,' vertelt hij, `maar de mensen vergeten dat er een heel volk achter ze staat, een volk zonder eigen land. Men wil het liever niet weten. Ik nodigde eens een groep zigeuners uit voor een concert van Taraf. "Wat doe je me aan?", zei de baas van de tent. Ze mochten er niet in.

`Neem een optreden in het Parijse La Vilette, daar spelen we voor duizenden mensen. De kans om die tenminste een beetje te informeren moeten we niet voorbij laten gaan.' Maar zaalhouders zijn daar gewoonlijk geen voorstanders van, bang dat het publiek weg blijft. Dat komt tenslotte niet voor een politiek statement, voor een sociaal bewogen resumé of een schrijnend protest. Het publiek is een avondje uit, de boog niet altijd gespannen zijn. Zelfs de meest geëngageerde westerling, hij of zij die diep is begaan met het lot van de wereld en zijn bewoners, zelfs deze wereldburger wil zich niet altíjd laten informeren.

Nu en dan dient de behoefte zich aan intens te genieten van de schoonheid van een Beethovensonate of een raga van Ravi Shankar, of van een avondje ongecompliceerd dansen op een houseparty waar gesampelde wereldmuziek uit de luidsprekers knalt. Dan hebben balletgezelschap en oorlog even niets met elkaar te maken, evenmin als zigeunerorkest en woonwagenproblematiek, Algerijnse raï-muziek en opkomend islamitisch fundamentalisme, salsa band en Antilliaanse junk.

Van hun kant voelen lang niet alle muzikanten zich geroepen een ideologisch karretje te trekken. Meestal is het niet hún karretje en als ze iets te melden hebben doen ze dat zelf wel, in een liedtekst bijvoorbeeld. Muzikanten willen goed spelen en goed geld verdienen, muziek is hun vak. Dat vindt ook Winter: `Natuurlijk hebben de muzikanten het naar hun zin, voor hen is dit het Paradijs. Want ik regel alles voor ze. Dus ik kom alle ellende tegen'.

Zijn irritatie richt zich tegen het publiek, visum-verstrekkende instanties, grensbewakers. Niet tegen de aanwezige festivalmakers met wie hij zaken doet. Die zijn er tenslotte om muzikanten en publiek dichter bij elkaar te brengen. Ieder heeft daarvoor zo zijn eigen aanpak.

Het van oorsprong Engelse festival Womad vertoont de flitsende programmering die na Woodstock in zwang raakte. Groot, veel podia met veel artiesten; het festival reist als geheel of in delen de wereld rond. Bezoekers dompelen zich een lang weekeinde onder in een kakofonie van stijlen en genres uit alle windstreken.

`Murw gespeeld gaan ze naar huis zonder dat ze veel wijzer zijn geworden.' Zo ziet Borkowsky Akbar van het Berlijnse festival Heimatklänge dat. Hij pakt het liever anders aan. `Wij kiezen voor langzaam. Eén artiest of groep krijgt vijf dagen lang een groot podium. De tweede week een andere groep en zo zeven weken lang. Geen tour stress bij de muzikanten, ze wonen lekker een weekje in Berlijn. De media vinden het prettig, kranten schrijven uitvoerige stukken, radio en televisie verzorgen live uitzendingen.'

Heimatklänge trekt tussen de drie en vijfduizend bezoekers per avond. Dat zijn er bij elkaar meer dan honderdduizend, iedere zomer opnieuw. Dit jaar waren de gebeurtenissen in Sarajevo de aanleiding voor een Europees getint festival. Via de Balkan en Griekenland legde het festival een brug naar de islamitische wereld, via Egypte en Libanon naar Israël. Maar over de actuele aanleiding werd niet gerept.

`Wij presenteren moderne tradities, we willen de soul van de muziek en de roots van de cultuur laten zien, gestoken in een nieuw jasje. Uit Egypte haalden we jonge Nubiërs, oude zigeuners en teenagers uit Cairo, die brachten we samen in de Salam Delta Revue.

`Aan Berlijnse cult videomakers hebben we gevraagd videoclips te maken van onze artiesten. Clips maken, dat hadden ze nog nooit gedaan, dat vonden ze altijd te doorsnee en te Amerikaans. De muziek kenden ze al helemaal niet. Het leverde een aantal mooie filmpjes op die allemaal op televisie zijn uitgezonden.'

Voor het standpunt van Salif Keita heeft Borkowsky weinig begrip. `Het is juist belangrijk dat deze artiesten hier optreden. Racisme en vreemdelingenangst is niet alleen een zaak van de overheid, het bestrijden ervan is een gezamenlijke verantwoordelijkheid.' Het festival zèlf is de boodschap.

De Parijse organisator Philippe Conrath hanteert een vergelijkbare filosofie, al wil hij niet in de eerste plaats een publiek bereiken. Hij gebruikt zijn evenementen om `muzikanten aan een carrière te helpen'. In 1989 organiseerde hij zijn eerste festival Africolor uitgerekend op kerstavond in Parijs. Het idee sloeg aan, Africolor werd een jaarlijks terugkerende gebeurtenis (`van negen in de avond tot zes in de ochtend want vanaf één uur rijden er geen metro's meer') met muziek uit verschillende Afrikaanse landen. Onder de dertienhonderd bezoekers bevinden zich gewoonlijk zo'n tien blanken.

Conrath zocht ook andere wegen, en hij vond ze. Voor Lobi Traore uit Mali, Danyèl Waro uit Réunion en een aantal Parijse muzikanten regelde hij zestig optredens in Frankrijk en nog eens twintig elders, waaronder die op de Music Meeting in Nijmegen, volgende week. In januari en februari toert hij met ze door West Afrika.

Festivalmakers zijn stuk voor stuk zelf muziekliefhebbers, zij proberen goed voor hun muzikanten en hun publiek te zorgen en dat is dat. Zij zijn geen sociologen of ontwikkelingswerkers, maar beschikken wel over een schat aan kennis. Die zetten zij om in muzikale evenementen. Hoe korzelig een enkele en ongestructureerd alle andere forumdiscussies ook verliepen, het uitwisselen van kennis op congressen als Womex heeft in ieder geval het gunstige gevolg dat de bekende festivals, naast geaccepteerde topgroepen, steeds vaker nieuwe experimenten laten horen.

Zo plaatst Music Meeting volgende week tegenover de koning van de raï Cheb Khaled, en NG la Banda uit Cuba, de Marokkaanse zangeres Sapho met liederen van de legendarische Egyptische zangeres Oum Kalsoum. Koreaanse samulnori drummers treden op met de experimentele Amerikaans Oostenrijkse combinatie Red Sun van de bassist Jamaaladeen Tacuma. Het Amsterdamse World Roots Festival wil volgend jaar wat gas terugnemen om kwaliteit en diepgang te verbeteren.

Wie in Berlijn was heeft veel geleerd, vindt Borkowsky, wie er niet was, gekleurd of blank, had pech. `Womex weerspiegelt de Europese wereldmuziek scene. De allochtonen-circuits werken zelfstandig, organisatoren en bemiddelaars daar werken voor hun eigen achterban. Zij zijn niet geïnteresseerd in een breder platform. Wij zijn nu eenmaal een westers verschijnsel met onze festivals en onze platenmarkt, we moeten nog structuren bedenken om meer Aziaten en Afrikanen aan te trekken. Dit is gewoon een prachtig begin.'

Peter van Amstel


Volkskrant, 1994

© Peter van Amstel - 1994