Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Muziek in Vietnam

07/10/1996

Kamermuziek met Hawaiigitaar

Zanger-gitarist Kim Sinh is blind. Misschien is hij daarom zo'n vakman, zo'n indrukwekkende muzikant. Blind werd hij in zijn derde levensmaand, nooit bezocht hij een school geweest. Toen hij acht was had hij wel zijn eigen dan nguyet, een tweesnarige luit. Daarna is hij nooit meer opgehouden muziek te maken. Het muzikantendom zat hem in het bloed, een prettige bijkomstigheid voor een blinde.

Sinh is een meester op de Spaanse gitaar. Niet omdat hij niet kon zien, maar om het instrument te verbeteren verving hij de nijlon snaren door staal, tussen de frets liet hij het hout van de toets diep wegschrapen om ruimte onder de snaren te krijgen. Want de muziek van Vietnam kan niet zonder versieringen, toonbuigingen en glijdende tonen.

Nijlon snaren zouden trouwens problemen geven bij het indelen van de gitaar in traditionele categorieën, geordend naar het klinkende materiaal. Steen, metaal, zijde, bamboe, hout, huid, kalebas en klei, volgens die indeling zijn zij ondergebracht. Maar dat zal voor Kim Sinh geen zwaarwegend argument zijn geweest, hij is niet uitsluitend in de traditie geïnteresseerd. Hij speelt muziek die hoort bij het moderne volkstheater hat cai luong en put daarvoor niet alleen uit de Vietnamese traditie.

In zijn solomuziek klinken rock 'n' roll-gitaarloopjes door, zijn begeleidingen doorspekt hij met gebroken accoorden naar Westers recept. Maar zijn zangstijl met lange uithalen in de melodie, de begeleiding met glijtonen en trillers, en de vijftonige toonschalen doen zijn muziek onmiskenbaar Vietnamees klinken. En natuurlijk de taal waarin hij zingt.

Door de aanpassingen is de gitaar van Kim Sinh nu een typisch Vietnamees instrument. Op zichzelf niets bijzonders, er zijn meer eigentijdse toevoegingen aan de Vietnamese instrumentenverzameling, zoals de dan tu day, een viersnarige basgitaar met een vierkanten klankkast en de dan tam thap luc, een met stokjes geslagen citer naar voorbeeld van de Arabische en Indiase santur.

Eeuwen geleden ging dat ook al zo. Een enorme verscheidenheid aan fluiten, snaarinstrumenten, trommels en andere percussie-instrumenten moet al veel langer tot de Vietnamese traditie gerekend worden, maar vele kwamen oorspronkelijk uit China, een enkele kwam uit India. Sommige werden in Vietnam zelf uitgevonden, zoals de dan bau waarop de melodie klinkt in flageolettonen.

De meeste bespelers van snaarinstrumenten kennen het gebruik van flageoletten. Als een vinger de snaar precies in het midden raakt terwijl hij wordt getokkeld of gestreken, klinkt een toon die twee keer zo hoog is als die van de losse snaar. Het octaaf, zegt een westerling. Op eenderde afgestopt klinkt de volgende boventoon, die in de westerse muziektheorie de kwint heet. Door de snaar op precies het juiste punt even tegen te houden wordt een flageolet hoorbaar, een boventoon van de snaar.

Gewoonlijk worden de snaren van een luitachtig instrument (viool, gitaar, luit) met de vingers van de linkerhand tegen de hals gedrukt om de juiste toonhoogte te maken, terwijl de rechterhand tokkelt of strijkt. Daarbij zijn frets, stripjes die de hals in de juiste afstanden verdelen, een handig hulpmiddel. De Vietnamese luiten dan ty ba (met frets) en dan tinh (zonder frets) zijn gangbare getokkelde snaarinstrumenten.

De snaren met nagels of vingers afstoppen zonder ze tegen de hals te drukken gaat ook, maar die techniek is eigenlijk alleen geschikt voor strijkinstrumenten als de dan nhi, want een getokkelde snaar zou bijna meteen zijn uitgeklonken.

Een andere bruikbare manier om een instrument van voldoende tonen te voorzien is natuurlijk het aanbrengen van grote hoeveelheden snaren. Zoals in een harp, waarbij de snaren in een vlak liggen dat loodrecht op de klankkast staat. Merkwaardig genoeg komen harpen in Oost- en Zuidoost-Azië nauwelijks voor, alleen Myanmar is daarop een uitzondering.

De sporadische aanwezigheid van de harp is nauwelijks een gemis, het ontbreken ervan wordt ruimschoots goed gemaakt door een veelheid aan citers. De snaren van een citer lopen evenwijdig aan de klankkast, zoals bij de chinese cheng, de Japanse koto, de Koreaanse kayageum en de Vietnamese dan tranh. Deze familie van instrumenten heeft verschuifbare bruggen om de snaren te stemmen. De bruggen zijn hoog zodat een snaar achter de brug -het gedeelte dat niet meeklinkt- gemakkelijk kan worden ingedrukt om de toonhoogte te veranderen. Dat is nodig voor de glijtonen en versieringen, soms heel subtiele, nauwelijks hoorbare vibrato's als de snaar al bijna is uitgeklonken. In heel Azië heeft men de kunst van de bijna uitgestorven toon tot op grote hoogte ontwikkeld. En, zoals op de luitachtige instrumenten, bij wijze van versiering of speciaal effect laat een musicus nu en dan graag ijle flageoletten fluiten.

Wie dat mooi vindt wordt in Vietnam ruimschoots bediend door bespelers van de dan bau of dan doc huyen. Dit instrument bestaat uit een smalle, lange houten doos waarover slechts een enkele snaar is gespannen. Een geroutineerd bespeler raakt met bedrieglijk gemak de snaar op precies de juiste plaats met de rand van de rechterhand terwijl hij op het zelfde moment met een bamboe plectrum, in diezelfde hand, de snaar tokkelt. Een heldere flageolet is het gevolg, op iedere gewenste toonhoogte.

Zo lijkt het tenminste. In werkelijkheid zijn de eerste vier of vijf boventonen van een snaar goed hoorbaar te maken, maar hoger worden ze snel te zacht. Een bijkomend probleem is dat boventonen niet ietsje hoger of lager kunnen klinken, alleen precies dat octaaf, die kwint van de grondtoon. Geen glijtonen dus, geen versieringen en dat zou het instrument onbruikbaar maken voor een Vietnamees musicus.

Voor beide problemen is een even eenvoudige als ingenieuze oplossing gevonden. Aan een kant is de snaar vastgemaakt aan een houten of bamboe latje dat recht omhoog uit het instrument steekt als het -zo wordt het instrument bespeeld- plat op een tafeltje ligt. Dit latje is buigzaam en door het heen en weer te bewegen verandert de spanning op de snaar, en daarmee zijn toonhoogte. Het mechaniek voor het vibratopookje op de moderne elektrische gitaar werd eeuwen geleden al in Vietnam bedacht.

Dikke bamboe buizen, aan elkaar gebonden als een reuzepanfluit vormen samen de klong put. Dit eveneens exclusief Vietnamese instrument van meer dan een meter breed ligt horizontaal op een rek en vertoont inderdaad verwantschap met een panfluit. De lucht in een buis wordt echter niet tot trilling gebracht door tegen de rand te blazen, maar door vlak voor de opening in de handen te klappen. Het ploffende geluid, door de lengte van de buizen laag van toon, lijkt niet op dat van enig westers instrument. Het is te benaderen door met een vinger op de halsopening van een lege cola- of wijnfles te kloppen. Wel vlak naast het oor, want een wijnfles is nog geen klong put.

Er zijn in Vietnam minstens honderd verschillende muziekinstrumenten in gebruik, waarvan sommige met een regionale verspreiding of alleen in gebruik bij minderheden als de Thai of de Mnong. Andere zijn wijd verbreid, niet alleen in Vietnam, maar met familieleden in China, Japan, Laos en andere Zuidoostaziatische landen. Of verder nog, tot in India -een tweevellige trommel-, Indonesië -gongs- en de Westerse wereld -aangepaste gitaren, basgitaren, drumstel-. Toch klink de muziek die er op wordt gespeeld Vietnamees.

Dat komt door het gebruik van vijftonige toonschalen. De zwarte toetsen op een piano vormen een vijftonige reeks, maar er zijn er in Vietnam veel meer in gebruik. Ook het nasale stemgebruik in vocale muziek, de glijdende tonen en de soms diepe vibrato's verlenen de muziek zijn karakter. En de tikkende en tokkende percussie-instrumenten in soorten en maten.

Voor de niet-Aziatische luisteraar betekent het luisteren naar muziek in vijftonige toonschalen gewoonlijk wel even doorbijten. Zelfs voor een geoefend, maar in de westerse muziektraditie opgeleid musicus (die gemakkelijk mineur en majeur, kerktoonladders en eventueel een zigeunertoonladder herkent) is het buitengewoon moeilijk de verschillende toonschalen en modi, de nuances daarbinnen, te onderscheiden. Laat staan te waarderen. Door het ontbreken van kleine toonsafstanden -in het Westen steevast gebruikt om een volgende toon voor te bereiden, al haast hoorbaar te maken voor hij er is- klink vijftoonsmuziek open en zonder duidelijk herkenbaar referentiepunt. Een referentiepunt is er wel degelijk maar het valt minder op en de open, transparante vijftonigheid maakt de muziek soms vederlicht, geeft haar nu en dan een betoverende schoonheid.

Het is even wennen. De klanken van instrumenten en het stemgebruik zijn anders, de Vietnamese meerstemmigheid is de Westerse niet, kortom, het gevaar van alles over een kam scheren ligt op de loer. Geheel ten onrechte want Vietnam kent een rijke verscheidenheid aan stijlen en muzieksoorten. Van volksmuziek tot hofmuziek, van ingetogen tot uitbundig, van eeuwenoud tot eigentijds.

Hofmuziek naar Chinees voorbeeld klonk voor het eerst in de vijftiende eeuw in het paleis van koning Le Thai Tong. Deze traditie hield stand tot het einde van de monarchie in 1945, de hoforkesten voor optochten, voor 'elegante muziek' en voor 'grootse muziek' raakten na de ondergang van het koninkrijk vanzelfsprekend in onbruik.

Maar er is ook een kunstmuziektraditie van kleine ensembles bedoeld voor een klein publiek, een soort kamermuziek. In Noord-Vietnam liet een zangeres zich begeleiden op de dan day, een luit met een lange hals, maar tegenwoordig zijn er weinig musici die deze traditie nog voortzetten. Hue muziek uit het midden van Vietnam wordt nog wel veel beoefend: zang met citer, strijkinstrument en getokkelde luit, soms aangevuld met de eensnarige dan bau en een fluit. De kamermuziek uit het zuiden heet dan tai tu en lijkt sterk op de hue-muziek, al gebruikt men in het zuiden graag een Spaanse- of Hawaiï-gitaar.

Een instrumentale improvisatie in de Zuidvietnamese kamermuziekstijl door Nguyen Vinh Bao op de maanvormige luit, laat de onderliggende vijftonige reeks schijnbaar naar de achtergrond verdwijnen. Er blijft alleen muziek over, ingetogen en vloeiend, vol melancholieke glijders en vriendelijk fluisterende vibrato's. Maar het kan ook opgewekt, zoals in een duet van dezelfde musicus met Tran Van Khe op het strijkinstrument dan gao. Beide musici spelen dezelfde melodie, maar niet precies gelijk en ieder met zijn eigen toevoegingen. Een prettig soort losse meerstemmigheid is het gevolg, opgewekt en speels klinkt zo het lied over het mooie meisje Tay Thi.

Veruit het grootste repertoire is te vinden onder de tientallen bevolkingsgroepen die Vietnam telt. Feestmuziek is er in soorten en maten, net als kinderliedjes, muziek voor bij het werk, voor bij begrafenisrituelen, bij bruiloften. De geschiedenis wordt herinnerd, de toekomst voorspeld in een lied. Daarnaast is veel muziek ontleend aan een van de populaire vormen van volkstheater.

Teksten en muziek, daar draait het om in hat cheo, vroeger waren er niet eens kostuums, decors of toneelverlichting. De stukken werden buiten gespeeld met begeleiding van een fluit, een vedel en percussie. Tegenwoordig is het instrumentarium gewoonlijk uitgebreider, met onder meer de eensnarige citer, de met stokjes geslagen citer en meer percussie. Soms voegen de musici ook Westerse instrumenten toe. Instrumentale improvisaties, gezongen monologen en koorzang wisselen elkaar af. Percussie-instrumenten verzorgen het ritme of dienen voor spectaculaire ondersteuning van de actie.

De muziek voor een hat cheo-uitvoering wordt gekozen uit een groot gemeenschappelijk repertoire. Een bediende die moppert omdat zijn meester, ondanks hard studeren, voor zijn examen is gezakt (een strijkinstrument speelt hartstochtelijk de melodie mee met de zanger, ploffen en tokjes maken een stuwend ritme) kan in een ander stuk voor soortgelijke situaties worden gebruikt. Het uitbeelden van stereotiepen gaat gepaard met zeer expressief stemgebruik, ieder type heeft zijn maniertjes en karakteristieke, gestileerde melodieën. Maar als het nodig is wordt er een nieuwe composities aan het repertoire toegevoegd.

Dit traditionele volkstheater is vooral populair in Noord-Vietnam. De oudste teksten dateren van de vijftiende eeuw, maar de oorsprong van het hat cheo-theater is waarschijnlijk eeuwen ouder. Piepjong is in verhouding het 'vernieuwd theater' dat vijfenzeventig jaar geleden werd ontwikkeld in Zuid-Vietnam. Hai cai luong is er nog altijd erg populair.

De manier van acteren in dit moderne theater is natuurlijker, de karakters zijn geen stereotiepen maar mensen van vlees en bloed. De natuurlijke toonhoogteverschillen van het Vietnamees (de betekenis van een woord wordt mede bepaald door toonhoogteverschillen) worden in de muziek uitgebuit, waardoor een zeer levendige, aansprekende zangstijl ontstaat.

De begeleidende muziek is ontleend aan de kamermuziek uit Midden- en Zuid-Vietnam, de Spaanse gitaar is dan ook een gebruikelijke toevoeging aan het ensemble. Het repertoire van de blinde musicus Kim Sinh bestaat voor een belangrijk deel uit hai cai luong-muziek. Andersom wordt ook moderne, hier en daar onmiskenbaar Europees getinte muziek als theatermuziek geaccepteerd.

Tijdens de Franse kolonisatie trad Kim Sinh op in dansgelegenheden. Hij leerde er Frans en maakte zich, als aanvulling op de muziek van het moderne volkstheater, elementen eigen die hem in de westerse muziek aanstonden. Hij viel op, in de jaren tachtig maakte de nationale televisie een documentaire over Sinh. Hij blijft het volkstheater trouw, maar heeft de blues opnieuw uitgevonden, in een Vietnamese variant. Wie kennis wil maken met Vietnamese muziek luistert naar Li Giao Duyen, Sinhs versie van een Zuidvietnamees volksliedje op gitaar, en naar Khuc tah tinh Ha Tinh gespeeld op een oude elektrische Hawaiï-gitaar. Wie dan nog niet betoverd is, gaat wel door de knieën voor zijn lied over de eenzaamheid van een moeder, alleen met haar kind nadat haar man naar het front is vertrokken.

Jongens en meisjes die mooi zingen, kunnen zich aan hat quan ho wagen. In de provincie Ha Bac is het een oude gewoonte om zangwedstrijden te organiseren tussen jongens en meisje uit verschillende dorpen. De liefde, verpakt in poëtische teksten, was vanzelfsprekend een geliefd onderwerp. Een prettige, zachte stem was een voordeel en een snel, oppervlakkig vibrato op het juiste moment een vereiste.

Tegenwoordig klinken gearrangeerde hat quan ho liedjes, gezongen door professionele zangers en zangeressen, als populaire muziek op de radio. 'Ik ben het meisje uit Bac Ninh, varend in een bootje. Ik handel in garens, ik kom een naaldenverkoper tegen.' En zij wil wel maar hij wil niet. Het is ook altijd het zelfde liedje, zoete arrangementen bij zoet liefdesverdriet.

Piano, drumstel, bas en keyboard doen het ook goed tegenwoordig. Na de nationalistische bombast van revolutionaire liederen klinken tegenwoordig tango en bolero, Europese en Amerikaanse klassieke muziek, popmuziek en jazz uit radio en televisie. Jonge componisten proberen een combinatie te maken van elementen uit de Vietnamese kunst- en volksmuziek met piano, symfonie en strijkkwartet.

De stadsjeugd wil geen hat quan ho of hai cai luong, de stadsjeugd wil disco-dansen. Zelfs muzikale vernieuwers als Kim Sinh zijn in de ogen van een bijdetijdse jongere hopeloos ouderwets. Maar jonge stadsbewoners zijn natuurlijk niet de enigen die de cultuur van Vietnam beïnvloeden en de meer gestudeerde musici bereiken met hun vernieuwingspogingen maar een klein publiek. In de dorpen is het volkstheater nog een welkome bron van vermaak.

De drieënzestigjarige Kim Sinh geeft de moed in ieder geval niet op, in het hoesje bij zijn cd zegt hij: 'Ik houd van populaire muziek, maar ik voel een zekere verantwoordelijkheid voor het in stand houden van de Vietnamese traditionele muziek en voor het doorgeven ervan aan jongere generaties. Daarom blijf ik cai luong liederen zingen.'

cd's:
The art of Kim Sinh. King Records KICC 5161 (1992)
Vietnamese Folk Theatre: Hat cheo, King Records KICC 5122 (1991).
Instrumental music of Vietnam. King Records KICC 5160 (1992).
String instruments of Vietnam. King Records KICC 5121 (1991).
Music from Vietnam. Caprice CAP 21406 (1991)
Vietnam: Hat cheo, traditional folk theatre. UNESCO D 8022 (1989).
Nguyen Vinh Bao et Tran Van Khe: Vietnam, tradition du sud. Ocora C580043 (1992).

© Peter van Amstel - 1996