Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

Fernando Lameirinhas

17/02/1998

De omgekeerde ontdekkingsreis van een duizendpoot

`Je kunt niet tweemaal hetzelfde uitvinden’, is het credo van Fernando Lameirinhas. Hij werd 53 jaar geleden in Portugal geboren, via België en Engeland kwam hij in Nederland terecht. Diverse malen stond deze gitarist, zanger en -vooral- componist hoog op de pop-hitlijsten. Hij speelde met de crème de la crème onder de improviserende musici. Maar even zo vaak begon hij weer helemaal opnieuw, `succes en creativiteit gaan nu eenmaal niet altijd parallel.’

Lameirinhas begeleidt de balletklas van de Amsterdamse theaterschool en ging op tournee met Raymond van het Groenewoud. Dit voorjaar zal hij Nederland vertegenwoordigen tijdens de Expo in zijn geboorteland. Intussen wijdt zich vol overgave aan zijn recentste muzikale liefde, de Portugese fado. Het zal wel niet zijn laatste zijn. `Ik wil nog zoveel doen, ik heb nog zoveel ideeën. Zodra ik het gevoel krijg dat ik mijzelf begin te herhalen stop ik ermee. I kill myself all the time, want ik wil dat mensen mijn muziek waarderen om hoe zij klinkt. Niet omdat ik toevallig beroemd ben.’

Maatkostuums
Lameirinhas beschrijft zichzelf als `gewoon een Portugees die heel veel muzieksoorten heeft gespeeld’. Hij voelt zich sterk aangetrokken tot de geïmproviseerde muziekwereld, maar is geen jazzmuzikant. `Als gitarist en zanger doe ik mijn best, maar het uiten van mijn creativiteit als schrijver en componist komt op de eerste plaats. Mijn achtergronden waren soulmuziek, de Beatles en de Rolling Stones. Kijk, een Brazilaan of Portugees leert eerst zijn eigen muziekcultuur kennen, daarna hoort hij westerse muziek en doet daar dan wat mee. Voor mij was het net andersom.’

Toen Lameirinhas vijftien jaar oud was verhuisde hij met zijn ouders van Portugal naar België. `Ik wilde niet meer naar school en nam een baantje in een fabriek. Maar ‘s avonds ging ik naar het conservatorium, daar studeerde ik klassiek gitaar en solfège. In Portugal was ik gewoon fan van Elvis Presley, maar in België begon ik zelf muziek te maken.’

Na een jaar of drie op het conservatorium richtte Lameirinhas zijn eerste band op, daarmee speelde hij de hits van die dagen, nummers van de Beatles, de Rolling Stones, de Searchers. Het conservatorium had hem toen niet veel meer te bieden, vond Lameirinhas. `Sindsdien ben ik autodidact’. Hij begon te componeren en te schrijven, voorlopig in het Engels.

`Ik was als toen nog helemaal niet geïnteresseerd in Portugese muziek’, vertelt hij. De jonge popmuzikant vond de westerse cultuur veel indrukwekkender. Dáár wilde hij bij horen en eind jaren zestig vierde hij zijn eerste successen met de band Jesse James. `We speelden toen vooral soulmuziek. Een paar covers van James Brown en Sam & Dave, maar negentig procent van het repertoire schreef ik zelf. We haalden er de eerste plaats mee op de hitlijsten van België, Spanje en Nederland.

`We waren beroemd en verdienden handenvol geld, maar na een jaar of vier vond ik het tijd om iets heel anders te gaan doen. Ik kreeg schoon genoeg van die slickness en de creativiteit raakte op’. Lameirinhas zette abrupt een punt achter zijn stromachtige carrière, op slag was het afgelopen met de dure auto’s en de Franse maatkostuums. Hij vertrok naar Engeland, speelde daar op straat en begon weer te componeren.

Braziliaans carnaval
Lameirinhas: `Ik wil voortdurend mijn horizon verbreden met nieuwe stijlen, zodat je daar op het podium al improviserend uit kunt putten. Ik luister bijvoorbeeld graag naar Michael Moore, omdat zijn muziek zo open is. Als je bij hem thuiskomt... Hij heeft een verzameling platen en cd’s, dat is ongelooflijk. Hij luistert naar every bloody thing, naar alles wat je maar kunt verzinnen. Hij speelt nooit iets na, hij absorbeert. Zo werk ik ook.

`Ik ben net een spons, ik leer van mijn omgeving. Marokkanen of Strawinsky, Australische aborigines of Bach, ik luister overal naar, al ga ik er eigenlijk nooit voor zitten. Ik ben een toevallige luisteraar, maar ik heb een snel oor. Sommige mensen luisteren dwangmatig zonder echt iets op te pikken. Maar ik hoor ergens iets, het raakt me en ik denk: dát is het. Pas dan ga ik die cd kopen.’

Het meest leerde hij van de muzikanten met wie hij samenspeelde, en dat waren niet de minsten. Zelfs Quincy Jones was daarbij. `Destijds wist ik niet eens wie hij was’, grinnikt hij, `maar het spelen met dat soort mensen opende mijn geest. Techniek heb je natuurlijk nodig, dat is het gereedschap, maar niet iedere virtuoos maakt ook interessante muziek.’

Vanuit Engeland kwam Lameirinhas naar Nederland. In Amsterdam richtte hij de band Joia op, dat betekende het begin van zijn samba-rock periode. Want na jarenlang optreden in de Amerikaans-Engelse pop scene kreeg hij steeds meer het gevoel, dit is niet mijn muziek. `Ik begon mijn eigen cultuur te ontdekken, maar vreemd genoeg via de Braziliaanse muziek in plaats van de Portugese. Want wat was er in die tijd in Portugal? Alleen de fado. Mijn geboorteland liep in die tijd hopeloos achter, de Brazilianen waren al veel verder.

`De muziek van Braziliaanse groepen en muzikanten als Novos Bayanos, Gilberto Gil en Caetano Veloso, dat was echt een ontdekking. Ik liep er eigenlijk toevallig tegenaan, want hoe gaat dat. Net als met een mooi boek, iemand geeft het je. En ik vond de taal ineens zo mooi dat ik in het Portugees begon te schrijven. ‘

Lameirinhas stortte zich vol overgave op de samba en de bossa nova. `Het begon akoestisch, met een soort bossa, maar niet van de gelikte soort. Het was meer een mix van popmuziek en bossa.’ Langzamerhand verdween het akoestische uitgangspunt naar de achtergrond, Joia werd een stevige elektrische band. `Eind jaren zeventig hadden we wel twintig optredens per maand’, vertelt Lameirinhas, `we waren destijds de huisband van de Melkweg in Amsterdam. Onze optredens duurden steevast drie, drie-en-een-half uur, we speelden door tot we helemaal kapot waren. En de band klonk iedere avond anders, dát was musiceren.

`Het was een bruisende periode, maar veel en veel te druk. En altijd dat carnaval- en feestgevoel, na een jaar of vijf was het wel weer genoeg.’

Lange, lange solo’s
In 1979 begon hij weer opnieuw. `Weet je, het creatieve proces is een wisselwerking tussen jezelf en de muzikanten met wie je werkt’, benadrukt Lameirinhas nog eens. `Sommigen kunnen dat proces kunstmatig gaande houden, maar ik trek me terug als het begint in te zakken. Kijk, ik ben al lang niet bang meer op het podium, daar sta ik al zo lang. Maar zodra ik het gevoel krijg dat ik de boel sta te belazeren, word ik verlegen.’ Het werd, kortom, tijd om een punt te zetten achter de carnavalperiode, tijd om `iets meer melodisch gaan doen’.

Lameirinhas deed een voorstel bij platenbaas Kees Schrama van Polygram en die was meteen geïnteresseerd. `De jongens van Joia wilden niet dat ik die naam gebruikte, ik dacht: val maar dood, ik gebruik mijn eigen naam wel. De bezetting was jazz-achtig met een akoestische piano en blazers, contrabas, drums en elektrische gitaar. Ook het materiaal was jazzy met een samba-gevoel en allerlei onregelmatige dingen erin. Het werd een prachtige cd, ik was er erg tevreden over.’

Voortbouwend op deze bezetting ging Lameirinhas aan het werk met een fusie van rock en jazz, met onder anderen de Antilliaanse gitarist Franky Douglas. `We speelden vooral veel lange solo’s, maar wel met Braziliaanse en Portugese trekjes. Alle muzikanten kregen veel ruimte voor ontdekkingen, je wist nooit hoe een optreden precies zou verlopen.’ Er werden in die periode geen platen gemaakt, daar was de band niet commercieel genoeg voor. `Maar we speelden veel, vooral in de Duitse en Zwitserse clubcircuits.’

Het plezier in de vrijbuiterij van zijn jazzrock-formatie duurde opnieuw een jaar of vijf, steeds meer kreeg Lameirinhas het gevoel dat de solo’s wel érg lang werden. `Op een goed moment wist ik tijdens een concert niet eens meer welk nummer we aan het spelen waren.’ Dus viel hij terug op een veel simpeler, popachtiger structuur en er kwam weer een cd. Die klonk ritmisch en groovy, en hij werd goed ontvangen.

`Maar ik wilde nog verder terug, naar akoestisch zonder keyboards en synthesizers. Ik werd langzamerhand ook wat ouder en in had geen zin meer in al dat democratische gedoe in zo’n groep. Ik had geen geduld meer om met kids urenlang te discussiëren over van alles en nog wat.’

Julio Iglesias
De compositie-opdracht die Lameirinhas in 1993 van muziekfestival de Music Meeting in Nijmegen kreeg, kwam als geroepen. `Dat was een mooie stimulans. Ik kreeg geld om een stuk van een uur te schrijven. Ik werd betaald om iets van mezelf te ontdekken, dat was natuurlijk ideaal.’ Hij schreef het stuk Ojala, dat luidde een periode van drie jaar in met een nieuwe groep. `Voor mij betekende het de weg terug naar muziek met een beeld en een verhaal, met dynamiek. Met alles wat ik zo was gaan missen.

`Als je er naar luistert zie je beelden voor je, zó wil ik schrijven.’ Maar vooral het verlaten van de stereotiepe bezetting met drums, bas, piano en saxofoons (`al dan niet fabelachtige gespeeld, al dan niet groovy’) luchtte hem enorm op. `Zo kreeg ik de kans weer in de muzikaliteit van de stilte te duiken, in de dynamiek en de grootsheid van het kleine. Ik wilde dat de luisteraars er door geabsorbeerd werden, en niet omver geblazen.

`De drums moesten hoorbaar zijn zonder dat ze werden gespeeld. En dat lukte, het was magisch. Die muziek is zo licht, dat veel mensen er niet van houden. Ze vinden dat het te veel fluctueert. Neem house of rap, alle muziek is tegenwoordig zwaar in de grond verankerd. Ik doe het tegenovergestelde, ik veranker de muziek in de lucht. Het ritme is er, de beat is stevig aanwezig, maar je moet naar de melodie-instrumenten luisteren om het te horen.’

Inmiddels wilde hij niet meer met Braziliaanse muziek geassocieerd worden. Lameirinhas: `Omdat mensen de neiging hebben er met een licht oor naar te luisteren. Ik houd van Jobim, maar dan op een serieuze manier. Niet van oh, wat gezellig. Als ik wil dat de mensen echt naar me luisteren, dan is Braziliaanse muziek de verkeerde muziek. Iedereen heeft het er wel bij naar zijn zin, maar niemand vraagt me ooit waar het over gaat’

Toen ontdekte hij de Portugese fado. Ook weer min of meer toevallig, maar het gaf Lameirinhas het gevoel dat hij thuis kwam na een lange reis. `Ik ontdekte dat ik eigenlijk mijn hele leven lang al fado zong, al stak die in een ander jasje. Die muziek zit me in het bloed, die past precies bij mijn karakter.’ Eindelijk begreep hij wat de vrouw van Quincy Jones hem jaren geleden eens had gezegd: `Je maakt zulke mooie melodieën, ze doen me denken aan Julio Iglesias.’

Daar was Lameirinhas destijds helemaal niet blij mee. ‘Ik wilde niet vergeleken worden met zo’n gladde liedjeszanger, ik wilde een heavy rocker zijn en de mensen choqueren. Maar nu begrijp ik wat ze bedoelde. Ik ben gewoon het best in het zingen van een simpel lied, recht uit het hart. Zij hoorde dat toen al, zelf kwam ik er pas vijfentwintig jaar later achter.’

Echte fado
Dat hij van alle mooie liedstijlen voor de fado viel, uitgerekend de muziek die vroeger geliefd was bij Portugese nationalisten, vindt hij eigenlijk vreselijk. `In alle andere opzichten ben ik erg anti-Portugees. Bovendien, de Portugezen accepteren mij helemaal niet. Ik bevind me altijd tussen twee werelden, ik behoor tot geen van beide. En dat wil ik ook niet, dat is mijn syndroom. Het geeft me een soort vrijheid, maar dan als die van de rivier die de slaaf is van zijn oevers.’

Er bestaan verschillende theorieën over de herkomst van de fado, de gezongen muziek vol weemoed en verlangen, het voertuig van de melancholie die de Portugezen saudade noemen. Slaven zouden de fado van Brazilië naar Portugal hebben gebracht, andere onderzoekers denken dat Franse troubadours hem, compleet met de Engelse gitaar, in Portugal introduceerden. Lameirinhas: `Volgens mij is het allebei waar, en waren er nog veel meer invloeden. Van de moslims bijvoorbeeld.

`En neem bijvoorbeeld de morna van Kaapverdië. Als je naar oudere opnamen luistert hoor je fado op zijn best, maar zonder de traditionele begeleiding. Weet je waarom? Omdat de mensen daar ook zongen over hun pijn en tederheden, over kleine vreugden en grote liefdes. Ze deden dat zo mooi, maar op hun eigen manier. De fado reisde overal heen, naar Angola, naar Mozambique, de Portugezen brachten hem en iedereen zong mee. Een zwarte jongen had ritme, de fado niet, dus paste hij hem aan. Zo groeide dat.

`De fado’s die me echt raken zijn van het begin van deze eeuw. Er zijn nu nog altijd mensen die hem prachtig zingen en spelen, maar toch ontbreekt er altijd iets aan. Want het verhaal dat in de fado wordt bezongen is eigenlijk achterhaald. Het is nu een school, de echte fado-zangers bestaan niet meer. Fado-muziek schrijven zoals het vroeger ging, vanuit een diep doorleefd gevoel, dat is voorbij.

`Daar moet dus iets anders voor in de plaats komen’, merkt Lameirinhas nuchter op. `Muzikanten worden vaak bekritiseerd in termen van: dat is geen flamenco, dat is geen fado. Maar ik schrijf ook helemaal geen fado’s volgens het boekje, ik probeer mijn eigen fado te vinden. Het gaat om de essentie ervan, niet om de vorm. Ik heb de taal van bebop, flamenco en fado geleerd, door muziek te schrijven probeer ik achter de essentie ervan te komen. De muziek komt er nooit in zijn oorspronkelijke vorm uit, al was het maar omdat ik die niet goed genoeg ken. Maar dat zou bovendien helemaal niet interessant zijn.

`Muziek verandert voortdurend, dat is altijd zo geweest. We noemen nu allerlei muziekvormen traditioneel, maar die zijn stuk voor stuk het resultaat van een evolutie van misschien wel honderd jaar. Mensen die alles in een hokje stoppen en zeggen van nee, dit is traditioneel, daar mag je niet aankomen... Die begrijp ik niet.’

Isabel-en-nog-wat
Lameirinhas wil niet worden beoordeeld op verwachtingen, want die komen vooral in zijn geval- zelden uit. `Je moet gewoon goed luisteren of het mooi is wat ik doe. Neem dat concert laatst in Groningen, mijn muziek werd daar ten onrechte geafficheerd als fado. Er was in het publiek een Portugese fado-zangers, Isabel-en-nog-wat. "Ha, dat is helemaal niks", vond zij, "dit is geen fado". Een journalist had dat opgeschreven, maar zei er gelukkig bij: "maar wat een mooie muziek!".

`Ik ben geen academicus. Sommige mensen lezen stapels boeken er roepen: dit kwam hier vandaan, dat is van daar. Voor mij zijn alleen een zekere mate van logica en mijn eigen ervaringen belangrijk. Ik voel me soms net een neger in de bush. Hij heeft zijn pijn, hij heeft zijn soul en hij pakt zijn gitaar. Geen Portugese gitaar, eentje met drie snaren, daar moet hij het mee doen. Zo gaat het met mij ook. Ik ken niet alles en ik heb niet alle gereedschappen. Ik doe het met wat ik heb.

Peter van Amstel

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, 1998

© Peter van Amstel - 1998