Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

P'ansori-zangeres Yun Cho Park

20/02/1996

In Korea wenen de vogels

Een p'ansori-opera drijft op pure verbeeldingskracht; een waaier en bloedstollende zang, soepele suggestieve bewegingen en een begeleidende drummer, dat is alles wat de solo zanger-acteur ter beschikking heeft om het plot geloofwaardig te maken, om de personages tot leven te wekken. De solist laat met dezelfde overtuigingskracht een beekje kabbelen als een vulkaan ronken en slaat met een knikje in de stem onverhoeds een hevige emotie los. Zangeres Yun Cho Park beheerst die kunst tot in de puntjes. `Ik heb ooit opgetreden met een flamencogitarist, dat combineerde perfect', stelt ze de argeloze luisteraar gerust. `P'ansori en flamenco, er is geen verschil. Beide zijn vurig en beminnelijk, lichtvoetig en aangrijpend tegelijk. De zeggingskracht komt vanuit dezelfde innerlijke diepte.'

In haar met schilderijen, souvenirs en boeken volgepakte appartement schenkt Park groene thee, kom na kom na kom. En koffie een enkele keer, `lekker slap hè?', zo drinkt ze hem het liefst. Ze presenteert rijstkoekjes, schilt een appeltje en intussen zoekt Yang Won Suk een stapeltje videobanden bij elkaar: een optreden in Tokyo, een workshop in Parijs, een receptie in hun woonplaats Seoul. Yang is architect en tevens Parks manager en levensgezel. Zij is de gevierde zangeres, hij de ideale zaakwaarnemer.

Ze leven zoals ze autorijden. Park zoeft zelfverzekerd door de overvolle miljoenenstad, al weet ze er heg noch steg. Yang kent alle lanen en steegjes op zijn duimpje, maar kan niet autorijden. Ze zijn tot elkaar veroordeeld en gezellig kibbelend komen ze in de kortste keren op iedere plaats waar ze willen wezen.

Ook in het buitenland, vorig jaar maakten ze samen een tournee langs Tokyo, Los Angeles en Caracas. De explosieve kracht van de eenpersoons opera was zangeres Park inmiddels vooruit gesneld. Miljoenen bioscoopbezoekers van Seoul tot Sidney, van New York tot Amsterdam, hielden hun ogen niet droog bij Sop'yonje, de speelfilm van Kwon Taek Im over een zanger en zijn twee geadopteerde kinderen. De tranen van ontroering kwamen vanwege het drama ìn het drama: p'ansori van een halve eeuw geleden in een eigentijds gefilmde familiekroniek. Veel Koreanen waren vergeten dat ze dit moois in hun achtertuin hadden, ze schrokken ervan en maakten van Sop'yonje de hitfilm van 1993.

`Hmm', knort Park, `ik vind het overdreven. Zo'n strenge man die ook nog zijn dochter blind maakt, zo gaat het natuurlijk niet.' En tsja, de zang van Chong Hae Oh, het meisje Song Hwa in de film, vindt ze maar matig. `Zij is een van mijn leerlingen.' Het is waar dat het verhaal over de lijdensweg van een meisje dat wil doordringen tot de kern van het p'ansori zingen flink is overgeromantiseerd. Maar haar queeste is wel aanstekelijk geacteerd en prachtig gefilmd. En de slotscène is ronduit verpletterend.

Na jarenlange omzwervingen vindt Dong Ho eindelijk zijn blinde zus Song Hwa. Hij maakt zich niet bekend, maar vraagt haar met hem te zingen, hij zal haar begeleiden op de robuuste trommel puk. Ze nemen plaats, zwijgend zitten ze tegenover elkaar. Plotseling slaat Songh Hwa toe met een rauwe uithaal, als een tijgerin. Is in die ene flits van hamer en vuur uit de krochten van haar ziel niet de essentie van het p'ansori drama samengebald? `Ja, natuurlijk', roept Yun Cho Park uit, `maar weet je wie daar zingt? Dat is mijn moeder. Mijn moeder So Hi Kim, zij was de grootste.'

Een mooie keukenprinses
Park is zichtbaar ontroerd bij de videobeelden van haar moeders laatste huldiging die plaatsvond kort voordat de Koreaanse diva vorig jaar april overleed. Kim droeg sinds 1964 de officiële titel van Menselijke culturele schat, de hoogste onderscheiding die de Zuidkoreaanse overheid aan beoefenaars van de traditionele kunsten verleent. Zij kreeg de titel voor haar meesterlijke uitvoeringen van Ch'unhyang-ga, een verhaal over de onstuimige, eigenlijk hopeloze maar uiteindelijk bekroonde liefde tussen Ch'unhyang, dochter van een gezelschapsdame, en een aristocraat. In Nederland en België zingt Park een episode uit het zelfde verhaal.

`Het thema ervan is de sublieme liefde', schrijft zij in een toelichting. `De waarde van Ch'unhyangs liefde schuilt in haar onvoorwaardelijke trouw, zelfs als die haar noodlottig dreigt te worden. Haar minnaar Mong Ryong is symbool van de ideale manlijkheid, omdat hij geen obstakel uit de weg gaat om zijn geliefde voor zich te winnen.' De zinderende erotiek van hun liefdesspel op de schommel en in de slaapkamer staat voor het leven zelf. Park: `De scène begint in het voorjaar, voor de Koreanen symbool voor de wedergeboorte van het universum in de eeuwigdurende cirkelgang van geboorte, vooruitgang, verval en dood.'

Ch'unhyang-ga speelt zich af in Namwon in de provincie Chollabuk-do, het Mekka van de p'ansori liefhebber. Daar kwamen de grote zangers vandaan, daar werd in 1931 een heiligdom ingericht ter nagedachtenis van Ch'unhyang. Jaarlijks wordt er, natuurlijk in het voorjaar, een festival gehouden. Duizenden toeschouwers komen er luisteren naar tientallen voorstellingen en zangwedstrijden.

Park: `De relatie tussen drummer en zangeres is heel belangrijk.' Het liefst zingt ze steeds met dezelfde pukspeler, want dan is de communicatie optimaal. `Een puk-speler heeft drie taken: helpen bij de ademhaling, de energie op peil houden en de zangeres aanmoedigen', legt zij uit. `Vroeger was de drummer altijd een oudere man, een jongere speelt vaak niet zwaar genoeg. En te vriendelijk is hopeloos.' De ideale drummer kent het verhaal door en door. Met heftige uitroepen of een dierlijke grom, lui swingende ritmes en snerpende klappen bedient hij de zangeres op haar wenken. Hij is een bediende, maar wel een van het kaliber vijfsterren hotel.

Yun Cho Park leerde het zingen niet rechtstreeks van haar moeder. Ze wilde eerst niet eens, professioneel zangeres zijn leek haar een ramp. Ze zag het aan haar moeder, die had het altijd druk, gaf voortdurend voorstellingen en was meestal op reis, vaak in het buitenland. `Eerlijk gezegd kan ik me niet herinneren dat ze ooit thuis was', grinnikt Park. `Het is eigenlijk een droevig verhaal', lacht ze breeduit, `mijn moeder was heel groot maar het familieleven heel klein.' Parks vader stierf toen ze tien was, sindsdien zorgde haar moeders moeder voor het huishouden. `Ook een groots mens, geen kunstenares maar gewoon een heel goede vrouw. De beste. En ze kon heel lekker koken.'

Dat wilde de jonge Yun Cho eigenlijk ook, `niets liever dan een mooie vrouw zijn, goed kunnen koken, een baby krijgen en dan nog mooier worden.' Maar als vierjarig meisje danste ze al en toen ze zes was stond ze op het podium. Haar ouders hadden voor de begeleiding een drummer geregeld en de jonge Yun Cho stal de harten van haar toeschouwers. `Ik leerde het dansen van mijn vader. Hij zag dat ik veel talent had en hij wilde van mij de beste danseres van de wereld maken.' Het dansen deelde ze met haar vader, dus toen hij overleed stopte zij er mee.

Zingen voor koning en vagebond
Een paar jaar danste Yun Cho niet, totdat er ter gelegenheid van grootmoeders verjaardag muzikanten en zangers naar het huis kwamen. Het werd een fantastisch feest, ze moest wel dansen en opnieuw was iedereen enthousiast. Keum Yon Sung was er ook, een van de gerenommeerde bespeelsters van de kayagum, de getokkelde Koreaanse citer.`Ik was zo onder de indruk van haar spel', roept Park uit, `ik dacht dat ik dood ging'. Ze wist het op slag: ze moest kayagum spelen en Sung wilde het haar gelukkig graag leren. `Daarna ging ik ook schilderen en kalligraferen, want denk je eens in, een huis met daarin een mooie vrouw die kayagum speelt en tekeningen maakt, is dat niet het summum van perfectie?'

Aan zingen dacht ze niet, p'ansori leren is dan ook geen sinecure. De echte die hard oefent dagen achtereen bij een bulderende waterval om te proberen het vallende water te overstemmen. Zo hoeft het niet per se, maar een harde, heldere stem is onontbeerlijk en de vereiste zangtechnieken zijn moordend. Tien jaar oefenen is het absolute minimum, twintig jaar is beter en levenslang is eigenlijk niet lang genoeg.

De geschiedenis van p'ansori gaat terug tot het begin van de achttiende eeuw, maar niemand weet er het fijne van. Volgens professor Tong Il Cho, hoogleraar in Seoul, was deze vorm van theater een manier om commentaar te leveren op de onredelijke gedragsregels, opgelegd door de toenmalige elite. P'ansori kwam voort uit onvrede onder het volk, `toch was er in alle lagen van de bevolking waardering voor p'ansori', vermoedt Cho, `van de koning tot de allerlaagste vagebond'.

Dat gold zeker in de negentiende eeuw, dankzij het werk van de legendarische Che Hyo Shin (1812-1884). Op veertigjarige leeftijd vormde deze rijksambtenaar een kring van p'ansori-adepten om zich heen. Hij verzamelde teksten en melodieën, ordende ze en schiep vanuit de onoverzichtelijke chaos van talloze bronnen een samenhangende, verfijnde kunst. Hij oogstte er bewondering mee tot in de hoogste regionen van de samenleving. Nog altijd is er ieder jaar in oktober een festival in Shins geboorteplaats Koch'ang, waar de beste zangers van het land optreden.

Stokoude muziek
Park trouwde toen ze tweeëntwintig was, kreeg een jaar later een zoon en verzorgde tien jaar lang haar man, haar kind en haar schoonmoeder. `Toen de moeder van mijn man overleed, was mijn zoon al groot', vertelt zij. Het klinkt als een opluchting. Begrijpelijk, want plotseling had ze haar handen weer vrij. Af en toe bezocht ze de studio van haar moeder, zomaar, gewoon uit tijdverdrijf. `In de studio was een leraar nodig, want ook daar kon mijn moeder bijna nooit zijn. Dus ik ging kayagum doceren.' Soms, als zij daar zat met haar leerlingen, hoorde ze haar moeder zanglessen geven.

Park merkte dat ze de lastige stembuigingen, de grote sprongen, de krachtige versieringen heel gemakkelijk kon nadoen. Ze was 29 toen ze besloot zangeres te worden. `Zo gek was dat helemaal niet, destijds waagde niemand zich op jongere leeftijd aan p'ansori.

`Dit is ook weer een droevig verhaal', zucht Park, `een moeder die haar dochter les geeft, dat is heel moeilijk. We wilden wel, maar het lukte niet. Later, toen ik voorstellingen ging geven, toen leerde ze me wel de fijne kneepjes. Maar het dag-in-dag-uit bij haar studeren, zoals de andere studenten, dat deed ik niet.' Terwijl moeder aan de anderen les gaf lette dochter gewoon goed op. `Nu en dan vroeg ik haar: moet het zus, moet het zo, en dan hielp zij me verder. En wat bleek? Technieken die voor veel van mijn moeders studenten ondoenlijk waren, daar had ik geen enkele moeite mee.'

Nu, ruim twintig jaar later, geeft Park zelf veel les. Iedere maandag komen Je Ryung Ryu en Sun A Kim naar haar huis. Sun A is dertien en kind aan huis. Ze doet wel eens een boodschap, drinkt thee op het donszachte kleed van Alpaca-lammetjesvel uit Venezuela. Daarna krijgt ze uren les voor de grote spiegel in de kleine huisstudio, volgestapeld met snaarinstrumenten en trommels. Het meisje zingt als een klok, ze is vastbesloten heel goed te worden.

Net als Je Ryung van eenentwintig, zij is pas terug uit de Verenigde Staten waar ze jarenlang studeerde. Daar zag ze de film Sop'yonje en ze was verkocht. `Mijn vrienden en vriendinnen hier verklaren me voor gek', schampert ze, `wat moet je met die stokoude muziek, vragen ze mij'. Het deert haar niet, zij is gegrepen door de passie en de melancholie in de p'ansori, die vindt ze niet in de popmuziek waar haar leeftijdsgenoten van smullen. En ze is geen uitzondering, tegenwoordig kun je in Seoul traditionele muziek studeren aan de universiteit -ook Park geeft daar les- en de toeloop is groot.

Huilen van woede
`Studenten die bij mij komen leer ik eerst de vijf stemniveau's', legt Park uit. `Voor het eerste niveau moet de stem diep uit je onderbuik komen, nog onder je navel. Zelf oefen ik soms dagen lang om mijn stem omlaag te krijgen. Zingen heeft te maken met de elementen, om diep te komen denk ik aan water en vuur.

`De bovenste, de vijfde stem zit op schouderhoogte en in de hals.' Park zingt voor, een lieflijk lichte toon in het hoogste register, dan even hoog een verzengende brul. `Ieder register kent ook nog eens eindeloze nuances', legt zij uit. Haar leerlingen oefenen die aan de hand van volksliedjes, korte melodieën van vijf, hooguit tien minuten die ze eindeloos blijven herhalen. `De training is zwaar, een verhaal als Ch'unhyang-ga duurt acht uur. Het leren ervan kost een getalenteerde student toch zeker tien jaar. En tel daar nog maar eens tien bij voor iemand een echt goeie zanger of zangeres is geworden', waarschuwt Park. `Maar het gevoel dat je erbij krijgt is ongelooflijk', benadrukt ze, `daarom houden we het vol.'

Acht jaar geleden maakte Park een cd met een jazzpianist, vorig jaar verscheen haar plaat met experimentele muziek voor stem, kayagum en sopraansaxofoon. `Traditionele en moderne muziek horen bij elkaar, ik meng ze. Ik ben een eenentwintigste eeuws persoon, dus maak ik ook eenentwintigste eeuwse muziek'. Maar p'ansori op het podium brengen is voor Yun Cho Park het beste dat er is.

`Als ik p'ansori zing ben ik droevig en kwaad, die woede komt recht uit mijn hart. En het zingen vanuit je buik is op zichzelf heel sterk, die combinatie van energie en emotie heeft altijd effect.' Aandoenlijke passages krijgen veel nadruk, daar houden de Koreanen van. Droeve gevoelens gaan dieper, zijn daarom lekkerder. Dus zeggen ze in Korea dat de vogels er niet zingen maar wenen.

`Soms huil ik tijdens het zingen, uit woede, dan ziet mijn gezicht er lelijk uit. En misschien snapt niet iedereen wat ik zing, maar mijn stem is indrukwekkend als ik optreed. Dan voel ik me fantastisch, dan is het alsof ik droom.'

Peter van Amstel


Wereld Muziektheaterfestival, 1996

© Peter van Amstel - 1996