Peters actuele website is
tetterettet.net




archief titels & intro's
 
reportages
interviews
artikelen
recensies
radioprogramma's
flyers, affiches
 
texts in English reportages
interviews
articles
 

mail naar Peter  
cv, werk, et cetera
 

 

 

inleiding Dijkdoorbraak

00/00/0000

Typisch Nederlands

De Nederlandse identiteit is op muziekgebied ook al niet te vinden. Buitenlanders bespeuren wel Nederlandse nuchterheid, beheersing en humor, en vooral veel verschillende stijlen. Die grote variatie bestaat dankzij de gretigheid en kunde waarmee componisten en improvisatoren hier te lande omgaan met allerlei muzikale, theatrale en visuele mogelijkheden, waar ook vandaan. De aan Nederlanders toegeschreven combinatie van nuchterheid, beheersing en humor is misschien niet meer dan een rode draad die dient als waslijn waaraan in een stevige, veranderlijke bries de bonte was vrolijk alle kanten opwappert. Juist het gebrek aan eenvormigheid en conformisme, het a-typische of zelfs anti-typische is, paradoxaal genoeg, eerder typisch Nederlands: dit klinkt niet als Stockhausen, niet als Adams, niet als Sclavis, niet als Marsalis, maar goed klinkt het wel, dit kon wel eens Nederlandse muziek zijn.

Gelukkig zijn buitenlandse organisatoren, artistiek leiders en programmeurs helemaal niet op zoek naar de Nederlandse muzikale identiteit, zij kijken de wereld rond en speuren naar kwaliteit gecombineerd met bijzonderheid, schoonheid, brutaliteit. Als een Nederlander dat biedt is het mooi, zo niet dan is er wel een Scandinaviër, Italiaan of Chinees. Het gaat er dus om dat buitenlanders zien en horen wat muziekland Nederland ze te bieden heeft zodat, als het even mee zit, hun zoektocht hier ten einde komt. Precies daarvoor hebben Gaudeamus, Donemus en de Dutch Jazz Connection zich de afgelopen negen jaar extra ingespannen. Met overtuigend succes.

Gaudeamus, Donemus, DJC
Bij het ter perse gaan van dit boek verkeerden de genoemde drie instellingen in de laatste maand van hun zelfstandig bestaan. Vanaf 1 januari 2008 zijn deze instellingen, samen met De Kamervraag, het Nederlands Jazz Archief, de voormalige Nederlandse Jazzdienst en het Nationaal Pop Instituut verenigd in een nieuw instituut, het Muziekcentrum Nederland. De tegenwoordige tijd van werkwoorden in de voorliggende tekst verwijst strikt genomen soms naar een recent verleden, maar de genoemde ideeën, taken en doelstellingen leven goeddeels voort in de plannen van het nieuwe instituut.

Op het buitenland gerichte activiteiten waren al snel belangrijk voor de in 1945 opgerichte Stichting Gaudeamus, getuige de Internationale Gaudeamus Muziekweek die sinds 1951 tweejaarlijks, en sinds 1958 jaarlijks plaatsvindt. Nederlandse componisten en buitenlandse musici waren daar altijd nauw bij betrokken. De taakstelling van Gaudeamus luidt: organiseren, stimuleren en ondersteunen van activiteiten en concerten met eigentijdse muziek in binnen- en buitenland. Jonge, talentvolle musici en componisten hebben daarbij een streepje voor, en nieuwe muziek van Nederlandse bodem krijgt de aandacht die zij verdient.

In 1947 zag Stichting Donemus, Documentatiecentrum voor Nederlandse Muziek, het licht. De bedoeling van Donemus was Nederlandse muziek uit te geven, om er meer belangstelling voor te wekken in binnen- en buitenland. Zo kwam het werk van Nederlandse componisten beschikbaar voor wie maar noten lezen kon. Donemus is het landelijk instituut voor gecomponeerde Nederlandse hedendaagse muziek, het bevordert de verspreiding ervan, ook buiten de landsgrenzen, onder meer door het beschikbaar maken van uitvoerings- en audiomateriaal, het uitgeven van composities en het documenteren van informatiemateriaal.

De in 2002 officieel opgerichte, maar al sinds 1998 actieve Dutch Jazz Connection heeft als doelstelling de internationale bekendheid en concertmogelijkheden van de Nederlandse jazz en geïmproviseerde muziek te bevorderen. Terwijl Donemus en Gaudeamus zich uitsluitend bezig houden met muziek die eigentijds, hedendaags of nieuw heet, maakt de DJC die nadrukkelijke keuze niet. Voordat de DJC zich erop toelegde was en geen Nederlandse instelling voor het promoten buiten de landsgrenzen van jazz en geïmprovisserde muziek.

notenkrakers
Oprechte, meer dan incidentele buitenlandse belangstelling voor wat er in Nederland op muziekgebied gebeurde, was er tot ver in de late jaren zestig van de twintigste eeuw nauwelijks. Voor die tijd ontbrak het de Nederlanders zeker niet aan buitenlandse contacten, maar de stroom van informatie en ideeën liep richting Nederland. Vooraanstaande buitenlandse componisten kwamen altijd graag naar de Gaudeamus muziekweken, op de jazzpodia speelden beroemde Amerikaanse musici en bands. Zo lieten de Nederlanders zich gretig informeren en imponeren door nieuwigheid en vernuft uit andere landen. Maar als Nederlandse componisten en jazzmusici destijds al iets opvallends, eigens of hoogstaands te bieden hadden, viel het de buitenlandse bezoekers voorlopig nauwelijks op.

Met de oprichting van de Instant Composers Pool (ICP) in 1967 door componist-pianist Misha Mengelberg, saxofonist Willem Breuker en drummer Han Bennink, klonk voor het eerst luid en duidelijk een herkenbaar Nederlands improvisatiegeluid dat in het buitenland bekend werd onder de naam new Dutch swing. Twee jaar later trokken ongeveer veertig actievoerders, onder wie Mengelberg, Breuker en componist Louis Andriessen, met knijpkikkers, ratels en toeters op naar het Amsterdamse Concertgebouw.

Op deze voor die tijd ongehoord provocatieve manier vroegen zij aandacht voor het spelen van modern repertoire, de muziek van hun grote buitenlandse voorbeelden: Xenakis, Stockhausen, Boulez. De actie had niet het beoogde resultaat, de Nederlandse symfonieorkesten bleven hardnekkig het oude, eerbiedwaardige, voornamelijk negentiende-eeuwse repertoire spelen. De jonge garde kwam al snel tot het inzicht dat het logge symfonie-orkesten-apparaat eigenlijk helemaal niet geschikt was voor wat zij wilden: de muziek gespeeld krijgen die zij zelf wilden horen, muziek van vooruitstrevende buitenlanders en van henzelf.

groeizaam muziekklimaat
Dus richtte Louis Andriessen in 1972 Orkest de Volharding op voor het spelen van zijn eigen, gelijknamige stuk. Willem Breuker, saxofonist in het orkest, riep in 1974 zijn eigen Willem Breuker Kollektief in het leven. Spraakmakende muziektheaterstukken van de rebellerende componisten, schrijvers en regisseurs kregen een plaats in het Holland Festival, en daardoor internationale aandacht. Na het ICP Orkest, De Volharding en het Willem Breuker Kollektief zagen Hoketus, het Schönberg Ensemble, het (herboren) Asko Ensemble en het Nieuw Ensemble het licht, en nog een hele reeks ensembles voor nieuwe muziek. Dat was het belangwekkende resultaat van de Notenkrakersactivisten, het initiëren van de Nederlandse ensemblecultuur.

De internationale belangstelling voor geïmproviseerde muziek van Nederlandse bodem kreeg met de October Meeting in 1987 in het Amsterdamse Bimhuis een flinke impuls, sindsdien geldt dit podium als een van de meest vooraanstaande jazzpodia in de wereld. De jaarlijkse Internationale Gaudeamus Muziekweek en het Internationaal Gaudeamus Vertolkers Concours maken Nederland aantrekkelijk voor compositiestudenten en jonge componisten, en voor musici en muziekstudenten die geïnteresseerd zijn in het spelen van die ongekende variatie aan nieuwe muziek.

Nederlandse conservatoria onderscheidden zich van buitenlandse muziekvakopleidingen door een veelzijdige, niet dogmatische visie op het compositieonderricht - componisten van de Notenkrakersgeneratie gaven en geven er zelf les. Inmiddels hebben de Nederlandse conservatoria afdelingen jazz, zodat ook improvisatoren er terecht kunnen voor een gedegen opleiding. Onder de aan de conservatoria afgestudeerden bevinden zich componisten en musici van wereldformaat.

In dit groeizame muziekklimaat kwam de wereldwijd bewonderde Nederlandse ensemblecultuur tot bloei, gaan componeren en improviseren soms hand in hand, en ontstaat muziek die uitzonderlijk is van snit, hoog van kwaliteit en daarom geschikt voor uitvoering op plaatsen tot ver buiten de polder- en zeedijken.

dit boek
Dit boek is een schets van activiteiten die Nederlandse musici en componisten, en buitenlandse programmeurs, artistiek leiders, organisatoren en diplomaten zoal ontplooien om Nederlandse muziek in het buitenland te laten klinken. In sommige gevallen met nadrukkelijke steun en bijdragen, en op initiatief van Gaudeamus, Donemus of de DJC, een enkele keer goeddeels op eigen kracht van de betrokkenen, maar meestal in een mooie balans tussen deze twee uitersten. De keuzes voor wie er in dit boek aan bod komen en wat er verder aan de orde komt, zijn vooral ingegeven door wat buitenlanders zien, horen en belangrijk vinden: welke componisten en musici, welke situaties en ontwikkelingen.

Drie generaties veel in het buitenland gespeelde componisten komen zelf aan het woord, de radicale Louis Andriessen, de kameleontische Jacob ter Veldhuis en de all round Michel van der Aa. Pianist en componist Guus Janssen legt de schakel tussen componeren en improviseren, hij is van beide markten thuis. Ook drie generaties improviserende musici komen aan bod, de tegendraadse drummer Han Bennink, de grensverleggende zangeres Monica Akihary en de talentvolle saxofoniste Tineke Postma.

Improvisatoren spelen hun muziek zelf, maar componisten zijn overgeleverd aan de gratie van hun uitvoerders. Hoe componisten met wisselend succes buitenlanders overhalen en verleiden, is onder andere te lezen in de hoofdstukken over Rusland, Sofia en New York. Hoe belangrijk het is in Nederland gespeeld te worden legt Idske Bakker van het Nederlandse nieuwe muziek-ensemble Insomnio uit.

Het is verbazingwekkend hoe goed sommige belangrijke buitenlanders op de hoogte zijn van de Nederlandse muziek. Zij prijzen de inzet van de Nederlandse muziekorganisaties, maar tonen vooral veel eigen initiatief. De Amerikaanse componist en muziekjournalist Frank J. Oteri is bewonderaar van Peter Schat en Jacob ter Veldhuis. De Britse festivaldirecteur Graham McKenzie, altijd op zoek naar muzikale vrijheid, verrassing en vermenging, vond die vooral in Nederland. De artistiek directeuren van de grote, vooruitstrevende Europese jazzfestivals prijzen vooral de eigenzinnigheid van onze vrije impro.

Naast successen en glansrijke momenten op grote festivals en gerenommeerde podia, komt naar voren hoeveel opbouwwerk en inspanning daaraan meestal vooraf gaat - al lijkt het soms ook vanzelf te gaan. Het verhaal over de jazzmeetings is exemplarisch voor de gerichte promotie-activiteiten van Donemus, Gaudeamus en DJC. Het Sofia-stuk gaat over het veroveren van een heel land, onder nauwelijks ideale omstandigheden en gedreven door persoonlijke betrokkenheid. Het artikel over New York staat voor het grote verlangen naar een doorbraak in Amerika, die in Ter Veldhuis' geval ophanden lijkt.

In het hoofdstuk Dijkdoorbraak staat beschreven wat de drie Dijkdoorbraak-partners teweeg wilden brengen, hoe zij dat hebben aangepakt, wie eraan heeft bijgedragen en wat ervan terecht kwam. Verheugend veel, zoals blijken zal.

© Peter van Amstel - 0000